Om als vaartuig geregistreerd te worden, moest een schip worden gemeten. Dit was wettelijk voorgeschreven voor grotere vaartuigen (eerst boven 20, later 30 ton) en praktisch nodig voor notariële overdracht en het afsluiten van hypothecaire leningen. Artikel 22 met betrekking tot de scheepspatent der herziende Rijnvaartakte van 17 oktober 1868 vormt de oorsprong voor het meten van het laadvermogen van schepen. Het patent werd oorspronkelijk ingesteld om hierover belasting te kunnen heffen.
Scheepsmetingen voor 1899
Er is nog een beperkt archief van voor 1899. Dit betreft echter grotendeels zeemetingen en is dus voor kleine tjalken niet interessant. Wel zijn hier koftjalken en dergelijke terug te vinden. Dit is echt speurwerk voor de liefhebber. Voor 1927 kon men een schip laten hermeten onder het oude nummer. Volgens het Verdrag van Brussel van 1898 moest altijd het oude nummer herbruikt worden. Administratief was dit rampzalig. Ook aan boord was niet altijd duidelijk wat nu de goede ijk was. Aangezien in het achterste ijk het meetbriefnummer werd ingebeiteld, en in de voorste het laadvermogen, werd aan de hand van de meetbrief helder wat de goede ijken waren. Zonder meetbrief was dit moeilijk. In het Verdrag van Parijs van 1925 werd bepaald dat bij hermeting een nieuw nummer werd afgegeven. Pas vanaf 1927 werd er altijd een nieuw meetbriefnummer uitgegeven, en dat is nog steeds de praktijk.

Meetbrief
In de Resolutie van de Minister van Financiën van 27 Juni 1927 staat aangegeven: “artikel 23 lid 5: Wanneer onder de werking der nieuwe voorschriften voor een reeds vroeger ingeschreven vaartuig een nieuwe meetbrief wordt afgegeven, wordt het vaartuig opnieuw ingeschreven in den ligger van het district, waar de nieuwe meting plaats heeft en krijgt het dus een nieuw nummer.” Volgens artikel 17 lid 8 diende in alle ijken het meetbriefnummer te worden ingebeiteld. Hierdoor werden in de boeisels bij een nieuw meetbriefnummer de oude in het achterste ijk doorgebeiteld en nieuwe ingebeiteld op de achterste en voorste ijk. Het laadvermogen bleef achterwege. In augustus 1989 is de Scheepsmetingsdienst begonnen met opnieuw te tellen na een reorganisatie, waarbij de districten Groningen, Amsterdam en Rotterdam centraal naar Rijswijk gingen. Om verwarring te voorkomen is niet voor de letter (Rotterdam), maar voor gekozen. In het begin werd hiervoor de ligger bijgehouden, maar al snel is het alleen maar in de computer. Geruime tijd werd dit dubbel gedaan, maar na nummer [HN 1020] vond men dit te veel van het goede. Toen de Scheepsmetingsdienst weer naar Rotterdam ging, is de afkorting gebleven. In 2009 was de Scheepsmetingsdienst na twintig jaar inmiddels bij [HN 12748] aangekomen.
Scheepsmetingen van 1899 tot 1934
In 1899 werd het regelement aangepast waarbij de meting niet meer plaats vond op basis van geladen ballast maar op basis van waterverplaatsing. Vanaf die tijd worden schepen gemeten om de waterverplaatsing te kunnen bepalen. Vanaf 1899 tot de oprichting van de Scheepsmetingsdienst in 1934 werd de meting van schepen verzorgd door de Belastingdienst. Door heel Nederland werden 24 registratiekantoren ingericht, zoals Sneek, Leeuwarden, Hoogezand, Groningen, Meppel, Zwartsluis, Gouda en Winschoten om deze metingen te kunnen verrichten. Alle metingen werden vanaf 1899 eerst genoteerd in meetboekjes, overgenomen in meetstaten en tenslotte ingeschreven in het register van de scheepsmetingen en worden in het scheepsjargon “Liggers” genoemd. In 1979 waren er nog maar drie districten nl. Amsterdam, Groningen en Rotterdam en tien jaar later werd alles gecentraliseerd naar Rotterdam. In hetzelfde jaar (1989) werd overgegaan op een geautomatiseerd systeem en behoorde het handmatig inschrijven van de scheepsmeting in de boeken van het register tot het verleden. Alle liggers waren tot voor kort in het archief van de Scheepsmetingsdienst in Rotterdam aanwezig, evenals de meeste meetboekjes. De meetstaten zijn alleen nog aanwezig als het schip niet nadien is hermeten. Verder zijn er liggers met brandmerken op volgorde, met een verwijzing naar het meetbriefnummer. Dit alles is niet ontsloten of gedigitaliseerd, zoeken is dus handwerk in stoffige dossiers. Wegens bezuinigingen en reorganisaties verstrekt de Scheepsmetingsdienst geen gegevens meer voor historisch onderzoek, ook niet tegen betaling. Wel was het tot voor kort mogelijk dat onder voorwaarden onderzoekers van het archief gebruik maakten. Dit werd echter van hogerhand niet gestimuleerd. De boeken zijn in 2008 door de Scheepsmetingsdienst als onderdeel van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat in samenwerking met Nationaal Archief in beheer overgedragen aan het Maritiem Museum Rotterdam. De boeken worden door het museum geconserveerd en via websites ontsloten. Zoeken op nummer is zeer simpel, andere ingangen zijn buitengewoon moeizaam. De meetboekjes zijn wel doorlopend genummerd, maar hebben geen inhoudsopgave of verwijzing. In een deel van de liggers staan nummers van meetboekjes, en dan is het weer erg eenvoudig. Of een meetstaat aanwezig is, is altijd weer een verrassing. Soms zijn er merkwaardige bijlagen als handgeschreven briefjes van schippers, die ineens een heel persoonlijke noot aan het geheel geven.
In 1899 werd het regelement aangepast waarbij de meting niet meer plaats vond op basis van geladen ballast maar op basis van waterverplaatsing. Vanaf die tijd worden schepen gemeten om de waterverplaatsing te kunnen bepalen.
Vanaf 1899 tot de oprichting van de Scheepsmetingsdienst in 1934 werd de meting van schepen verzorgd door de Belastingdienst.
Door heel Nederland werden 24 registratiekantoren ingericht, zoals Sneek [S], Leeuwarden [L], Hoogezand [Hz], Groningen [G], Meppel [Mp], Zwartsluis [Zs], Gouda en Winschoten om deze metingen te kunnen verrichten.
Alle metingen werden vanaf 1899 eerst genoteerd in meetboekjes, overgenomen in meetstaten en tenslotte ingeschreven in het register van de scheepsmetingen en worden in het scheepsjargon “Liggers” genoemd. In 1979 waren er nog maar drie districten nl. Amsterdam, Groningen en Rotterdam en tien jaar later werd alles gecentraliseerd naar Rotterdam. In het zelfde jaar (1989) werd overgegaan op een geautomatiseerd systeem en behoorde het handmatig inschrijven van de scheepsmeting in de boeken van het register tot het verleden.
Scheepsmetingsdienst
Alle liggers waren tot voor kort in het archief van de Scheepsmetingsdienst in Rotterdam aanwezig, evenals de meeste meetboekjes.
De meetstaten zijn alleen nog aanwezig als het schip niet nadien is hermeten. Verder zijn er liggers met brandmerken op volgorde, met een verwijzing naar het meetbriefnummer. Dit alles is niet ontsloten of gedigitaliseerd, zoeken is dus handwerk in stoffige dossiers.
Wegens bezuinigingen en reorganisaties verstrekt de Scheepsmetingsdienst geen gegevens meer voor historisch onderzoek, ook niet tegen betaling. Wel was het tot voor kort mogelijk dat onder voorwaarden onderzoekers van het archief gebruik maakten. Dit werd echter van hogerhand niet gestimuleerd. De boeken zijn in 2008 door de Scheepsmetingsdienst als onderdeel van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat in samenwerking met Nationaal Archief in beheer overgedragen aan het Maritiem Museum Rotterdam. De boeken worden door het museum geconserveerd en via websites ontsloten.
Zoeken op nummer is zeer simpel, andere ingangen zijn buitengewoon moeizaam. De meetboekjes zijn wel doorlopend genummerd, maar hebben geen inhoudsopgave of verwijzing. In een deel van de liggers staan nummers van meetboekjes, en dan is het weer erg eenvoudig. Of een meetstaat aanwezig is, is altijd weer een verrassing. Soms zijn er merkwaardige bijlagen als handgeschreven briefjes van schippers, die ineens een heel persoonlijke noot aan het geheel geven.
Metingen in Friesland
In district Leeuwarden zijn van 15 augustus 1899 tot 24 november 1933 in totaal 2513 schepen gemeten, in district Sneek van 14 augustus 1899 tot 23 oktober 1933 totaal 1238 schepen. Dit is inclusief eventuele hermetingen. Lang niet alle schepen werden gemeten. Vooral schippers van kleine schepen lieten zich niet registreren. Dat leidde tot problemen na de invoering van de Leerplichtwet van 1901 en de Evenredige Vrachtverdeling in 1934, want toen waren sommige schippers ineens officieel geen schipper meer en gold voor hen de leerplicht wel, en vrachtrecht niet.
Hermetingen
Voor 1927 kon men een schip laten hermeten onder het oude nummer. Volgens het Verdrag van Brussel van 1898 moest altijd het oude nummer herbruikt worden. Administratief was dit rampzalig. Ook aan boord was niet altijd duidelijk wat nu de goede ijk was. Aangezien in het achterste ijk het meetbriefnummer werd ingebeiteld, en in de voorste het laadvermogen, werd aan de hand van de meetbrief helder wat de goede ijken waren. Zonder meetbrief was dit moeilijk.
In het Verdrag van Parijs van 1925 werd bepaald dat bij hermeting een nieuw nummer werd afgegeven. Pas vanaf 1927 werd er altijd een nieuw meetbriefnummer uitgegeven, en dat is nog steeds de praktijk.
In de Resolutie van de Minister van Financiën van 27 Juni 1927 staat aangegeven: “artikel 23 lid 5: Wanneer onder de werking der nieuwe voorschriften voor een reeds vroeger ingeschreven vaartuig een nieuwe meetbrief wordt afgegeven, wordt het vaartuig opnieuw ingeschreven in den ligger van het district, waar de nieuwe meting plaats heeft en krijgt het dus een nieuw nummer.”
Volgens artikel 17 lid 8 diende in alle ijken het meetbriefnummer te worden ingebeiteld. Hierdoor werden in de boeisels bij een nieuw meetbriefnummer de oude in het achterste ijk doorgebeiteld en nieuwe ingebeiteld op de achterste en voorste ijk. Het laadvermogen bleef achterwege.
In augustus 1989 is de Scheepsmetingsdienst begonnen met opnieuw te tellen na een reorganisatie, waarbij de districten Groningen, Amsterdam en Rotterdam centraal naar Rijswijk gingen. Om verwarring te voorkomen is niet voor de letter [R] (Rotterdam), maar voor [H] gekozen. In het begin werd hiervoor de ligger bijgehouden, maar al snel is het alleen maar in de computer gezet. Geruime tijd werd dit dubbel gedaan, maar na nummer [HN 1020] vond men dit teveel van het goede. Toen de Scheepsmetingsdienst weer naar Rotterdam ging, is de afkorting [HN] gebleven. In 2009 was de Scheepsmetingsdienst na twintig jaar inmiddels bij [HN 12748] aangekomen.

Digitalisatie Meetliggers
Het Maritiem Museum is van plan de meetliggers te laten digitaliseren waardoor deze via internet ingezien kunnen worden. Het gaat hierbij om de handgeschreven informatie. Over de ontsluiting is nog geen beslissing genomen.
De Stichting 'Foar de Neiteam' heeft vooruit lopend hierop zoveel mogelijk meetgegevens van skûtsjes verzameld uit de noordelijke districten. Deze gegevens worden op deze website beschikbaar gesteld. Klik daarvoor in het menu links op 'Overzicht skûtsjes'.
Ook de Landelijke Vereniging tot Behoud van het Historisch Bedrijfsvaartuig (lvbhb) heeft daar een voorschot op genomen en zijn er door George Snijder een aantal liggers uit alle districten gefotografeerd en de gegevens ingeklopt met behulp van vrijwilligers, waaronder Frits Jansen van de Stichting ‘Foar de Neiteam’.
Er is voor gekozen om elk kantoor in een aparte spreadsheet te zetten. Naast de basisinformatie als naam eigenaar en naam schip om op te zoeken, is van sommige schepen alle informatie ingevoerd, zoals de afmetingen, het tonnage en de meetdatums. Deze informatie kunt u vinden onder (lvbhb). Indien gewenst kunnen de foto's van betreffende meetregistratie opgevraagd worden bij George Snijder of van skûtsjes bij Frits Jansen (06-28209395).

Meetliggers
(Meet)liggers betreffen de registraties van de meetbrieven van schepen door de Scheepsmeetingsdienst. Een schip wordt met name gemeten om het laadvermogen van het schip te bepalen. De eigenaar krijgt een meetbrief ten aanzien van de gedane meting. De meting wordt geregistreerd in het liggerboek van de plaats van registratie en krijgt een liggernummer mee. Het liggernummer is opgebouwd uit de verkorte plaatsnaam van het registratiekantoor van de Scheepsmetingsdienst en een volgnummer (bijvoorbeeld L 345, R 12345, Am 12345 of G 1234, aangevuld met de N van Nederland).