Lourens zijn zoons zouden zich allemaal met de scheepsbouw gaan bezighouden. In het begin was het echter alleen zoon Roelof die in de voetsporen van zijn vader trad. Roelof Wildschut (*19-01-1866 te Gaastmeer - †03-03-1928 te Balk) nam op 20-jarige leeftijd de zaak over. Tjipke (*03-07-1871 te Gaastmeer - †25-05-1901 te Gaastmeer) ging na het overlijden van zijn vader bij een oom inwonen als dienstknecht. De andere jongens waren nog zeer jong. Om Roelof te ondersteunen huurde Aukjen scheepstimmerknechten in. Na anderhalf jaar kwam Tjipke weer terug om op de werf te werken. Tjipke trouwde op 7 oktober 1893 met Sjoukje Jikke Dam (*15-11-1875 te Beets - †19-08-1897 te Oudega). Ze hadden twee kinderen: Harm (*19-01-1894 te Oudega) en Aukje (*23-03-1895 te Oudega - †30-06-1895 te Oudega).
Het overlijden van Aukje was een persoonlijk drama. Tot overmaat van ramp stierf Sjoukje iets meer dan een jaar later na een grote brand op de werf op 13 augustus 1897. Dit verlies woog natuurlijk niet op tegen het materiële verlies. Dat kon al redelijk snel weer opgebouwd worden, doordat De Maatschappij van Brandverzekering voor het Koninkrijk de Nederlanden, gevestigd te ’s Hertogenbosch, spoedig uitkeerden. Sjoukje was een volle nicht van Jikke Dam die getrouwd was met Lammert Jans Brouwer (*1874 - †1954), ‘Grutte Lammert’, uit Kootstertille.
In 1896 werd de palinghandel van de gebroeders Visser uit Gaastmeer opgekocht door de fa. W. en A. Visser uit Heeg. Hiermee viel voor Roelof de geregelde vraag naar onderhoudswerk aan palingschuiten weg en moest hij nieuwe klanten zien te vinden voor zijn werf.
Hij besloot Staverse jollen te gaan bouwen voor de vissers langs de Zuiderzeekust. Die visten met Staverse jollen in het voorjaar eerst op haring en daarna op ansjovis en in het najaar op paling (voor de handel in Workum en Heeg). De jollen, een vissersschuit zonder zwaarden en met een kleine doorlopende kiel, die rond 1890 ontwikkeld zou zijn, die hij bouwde, kregen een herkenbare vormgeving, net een beetje anders dan de jollen die Roosjen vanaf 1860 in Stavoren maakte. Iets ronder, met een bredere, ui-vormige spiegel en een lage roerkop die spits naar voren liep. De jollen van Roosjen hadden een roerkop die hoog en rond was, als een iets ingezakt hoedje. Deze bedrijfstak zette Roelof voort met zijn drie andere broers na de vroege dood van Tjipke. De broers waren ook op vroege leeftijd in de scheepsbouw begonnen. Na het overlijden van vader Lourens moesten de kinderen er ook wel opuit gestuurd worden. Er moest immers brood op de plank komen. De mannen konden met hun legertje knechten alle opdrachten aan. Ze werden gewaardeerd om hun sterke Staverse jollen.
In de scheepsbouw stond de ontwikkeling niet stil. Rond 1900 werd langzamerhand overgegaan van de houtbouw op de bouw van ijzeren schepen. Ook op de werf ‘De Vlijt’ van de Gebrs. Wildschut moest men er aan geloven. Ze speelden met succes in op de vraag naar diverse ijzeren schepen. Dit werd een groeiperiode van de werf. In de beste tijd had men ongeveer dertig man aan het werk. Er werden ijzeren pramen, bootjes en veerscheepjes gebouwd. De schepen werden echter groter. Er werden tjalken en klippers gebouwd. Het grootste schip moet een waterverplaatsing hebben gehad van 170 ton. Na hun overschakeling op ijzer kregen ze uit de omgeving ook opdrachten voor de bouw van roefschepen, skûtsjes. Op de werf werden tussen 1904 en 1914 onder meer achttien roefschepen (skûtsjes) gebouwd. In 1904 bouwde de werf een beurtschip ‘De Hoop op Zegen’ [S 1166 N] voor Wiebe de Jong uit ’t Heidenskip. Het schipje, beter bekend als ‘it Blommeskip’, kreeg een lengte van 9,64 m en een breedte van 3,09 m. Een lengte/breedte verhouding van 3:1. Waarschijnlijk werd dit schipje naar voorbeeld van eerder gebouwde houten beurtschepen gebouwd.
Het ligt tegenwoordig te pronken in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen. In 1914 werd een groot roefschip, ‘De Twee Gebroeders’ [S 1097 N], in opdracht van de Langweerder schipper Rienk Ulbesz Zwaga (*1883 - †1962) gebouwd. De naam was een verwijzing naar zijn twee zonen Ulbe (*1907 - †1985) en Jeen (*1912 - †1947). Ulbe zou er vanaf 1933 furore mee maken in wedstrijden van ‘beurt- en vrachtschepen’. Rienk zijn derde zoon, Harm, was toen al overleden. Hij stierf in 1932 doordat zijn sjaal in de machinekamer van zijn vaders melkboot werd gegrepen door het vliegwiel. Toen Rienk hem vond, was hij gewurgd.
‘De Twee Gebroeders’, al meerder keren het Langweerder SKS-skûtsje, mat 19,34 bij 3,82 meter en had een laadvermogen van 50,191 ton. De lengte/breedte verhouding was door de jaren heen gegroeid naar 5:1. Rienk kon het zelf niet uit eigen zak betalen. Hij leende geld bij een paar boeren die hem vertrouwden. Toen hij in de eerste oorlogswinter, van 1914 op 1915, zo profiteerde van de sterk gestegen turfprijzen, kon hij meteen een flink deel van de schuld aflossen. Toen vonden de boeren dat een schipper te veel verdiende, en dat hij de turf te duur leverde. ‘Dat doch ik noait wer’, moet hij hebben gezegd. Hij hoefde ook nooit weer, want het schip ging langer mee dan hij en Ulbe samen, en heeft ook kleinzoon Rienk (*1932 - †1992) al lang overleefd. Kleinzoon Lammert (*1934) werd er in 1980 voor het laatst SKS-kampioen mee.
De meeste skûtsjes die hier gebouwd zijn in de begin periode van de ijzerbouw onderscheidden zich echter van elders gebouwde schepen door een geringe wijdte van tussen de 3,41 en 3,45 m. Dat was kennelijk gangbaar vanwege de ‘tichtsetten’ in de omgeving, de vissersnetten met een kleine doorvaartruimte, en het smalle bed van de Luts. Naast de ijzeren schepen bleven de gebroeders ook houten schepen bouwen. De houten schepen werden altijd in de grote schuur gebouwd. De kleine schuur was voor de ijzerbouw, maar de ijzerenbouw vond dikwijls buiten plaats. Deze zo productieve tijd werd ook gekenmerkt door onenigheid tussen de broers. In 1909 trok Roelof zijn conclusies en vestigde zich als boer in Wyckel, na onenigheid met zijn broers te hebben gehad over de leiding, op een boerderij die zijn vrouw had geërfd. De werf werd voortgezet door Age (*05-03-1879 te Gaastmeer - †22-07-1942 te Sneek), Jelle (*12-10-1881 te Gaastmeer) en Jetze Wildschut (*22-09-1885 te Gaastmeer - †31-08-1950 te Gaastmeer). Age schreef de werf in 1911 in bij het Handelsregister, bijgehouden door de Kamer van Koophandel, onder de vermelding “Scheepsbouw, adres Gaastmeer nr. 50 te Gaastmeer”.
De broers hadden weinig succes. Ze wisten de onenigheid niet bij te leggen, waardoor de werf enigszins in de versukkeling begon te raken. De achterliggende oorzaak van de twisten was natuurlijk de steeds teruglopende vraag naar schepen door het verval van de visserij op de Zuiderzee en de toename van het vrachtvervoer over land. De ansjovis raakte op waardoor er geen jollen meer nodig waren. De Eerste Wereldoorlog zorgde voor de definitieve klap met de sterk gestegen staalprijs. Ver voor de Tweede Wereldoorlog zijn de beide broers Jelle en Age geëmigreerd, verwoord in ‘It Wrede Paradys’ van Hylke Speerstra, naar Amerika. In februari 1921 vertrok Jelle Wildschut met zijn vrouw Haebeltje Valk (*30-08-1881 te Koudum) en hun vier kinderen om daar hun geluk te vinden, in 1924 gevolgd door Age en zijn vrouw Itje Luitzens Ykema (*08-04-1884 te Nijhuizum - †1974). Jetze Wildschut bleef achter op de werf in Gaastmeer en werd op 5 juni 1924 alleen eigenaar toen hij de koopakte van zijn broer Age ondertekende.