Haike Pieters bezigde zich vooralsnog op de werf met houten schepen, veelal roefschepen (skûtsjes). Winterdag lagen er bij de werf, tussen de Hellingplanke en de Draaibrug, veel van deze schepen en ook pramen. Na de Hellingplanke lagen nog enkele woonschuiten. Het was een druk bedrijf, zodat omwonenden de hele dag door gehamer en geklop hoorden. Hij moest van de vertrouwde houtbouw overschakelen naar de moeilijke ijzerbouw. Daarbij kwam nog dat de houten schepen meer onderhoud nodig hadden en dus meer werk op de helling gaf.
Uit het werfboek van 1870-1956, gearchiveerd in het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek, is te lezen dat M.B. Jagersma uit De Wilp een ijzeren praam (13,02x2,55x0,71 m) bestelde bij Haike Pieters. De datum is niet vermeld, maar Marten Boeles Jagersma overleed in 1893. We kunnen dus concluderen dat Haike Pieters de eerste stappen richting de ijzerbouw had gemaakt. Rond de kokende teerpot zal rond het schaftuur heftige discussie hebben plaatsgevonden over de spraakmakende ijzerbouw die in de provincie was gestart. Een deel van het hellingvolk betwijfelde de doelmatigheid van een ijzeren schip. Blijkbaar was Haike Pieters van de ijzerbouw overtuigd en vertrok naar Vierverlaten voor een opleiding voor de ijzeren scheepsbouw op de werf van Wolter Mulder (*1868 - †1960), evenals zijn broer Oebele Pieters (*1877- †1947) van Schilkampen bij Leeuwarden en neef Jan Oebeles (*1876- †1958) van de werf bij het Buitenste Verlaat. De kokende teerpot was niet meer nodig, daarvoor in de plaats kwam het helse kabaal van de klop- en rekhamers van het klinken van honderden klinknagels.
De pikjongen werd nageljongen. De werkdagen werden korter en er werd goed geproduceerd. De gewoonte om ’s middags het waerm miel te nuttigen werd echter onder geen beding van afgeweken. Een hellingfeint uit Drachtster Compagnie nam zijn gekookte prak in een pannetje mee naar de helling. Tegen schafttijd maakte mem Van der Werff de zaak dan even voor hem warm.
Bij de eerste tewaterlating van een groot stalen schip in 1898 waren de omwonenden uitgelopen naar de draaibrug aan de Bopperein. In een tijd dat men nog dacht dat een stalen schip veel sneller zou zinken dan een schip van hout verwachtte men spektakel bij de helling, maar dat gebeurde niet. Men was verbaasd dat het schip niet onmiddellijk zonk.
In 1907 kocht Haike Pieters het terrein van de vroegere kalkbranderij van Duursma, met het daarop staande leshuis en de aangehechte woningen voor fl. 2.060,-. Hier op de hoek van de Langewyk en de Zuiderdwarsvaart liet Haike Pieters een woonhuis voor zijn gezin bouwen.
Aan de Langewyk koos Haike Pieters over het algemeen voor stabiliteit en laadvermogen al zijn hier een paar prachtige, snel gelijnde skûtsjes gebouwd zoals in 1908 de ‘Twee Gebroeders’ [G 1108 N] voor Jan Groen uit Moddergat. Tegenwoordig als de ‘Lonneke’ bij de IFKS. De klanten werden hier met veelal bredere schepen, geschikt voor zwaar transport over grotere afstanden. Tussen 1898 en 1916 werden op de werf aan de Langewyk 160 tjalken, klippers, pramen en andere schepen gebouwd. Niet alleen skûtsjes van tot 45 ton werden hier gebouwd. In 1903 berichtte de Drachtster Courant dat op de scheepstimmerwerf van H.P. van der Werff een stalen paviljoen tjalkschip zou worden gebouwd, zeer geriefelijk ingericht, groot 102 ton en met een lengte van 21,20 meter en 4,60 meter breed. Dit was het grootste stalen schip dat tot op dat moment op deze werf was gebouwd in opdracht van beurtschipper Jetze Schokker uit Drachten. Het zou ingezet worden als beurtschip op het tracject Drachten-Rotterdam. Dit stalen paviljoen tjalkschip kon nog net door de sluis van het Buitenste Verlaat. Met dit schip werd nog het gezin en inboedel van Bouke Schurer, scheepstimmerman bij Haike Pieters en vader van de bekende dichter-journalist Fedde Schurer, naar Lemmer verhuisd.
Haike Pieters had altijd een volle ordeportefeuille. In de drukste tijden was er emplooi voor wel 13 personeelsleden. Niet alleen met nieuwbouw, maar ook onderhoud aan skûtsjes van vaste klanten als turfschipper Sake Jansz Hoogeveen met zijn bruingekleurde skûtsje de 'Vier Gebroeders' [G 1132 N], ging Haike niet uit de weg. En dat dit goed gebeurde kunnen we hedentendaage nog zien, nu Delmer Los met dit skûtsje (nu 'Grutte Pier') zeilt en er in 2010 kampioen in A-klasse van de IFKS mee werd.
Haike Pieters trouwde in 1896 met Margrietta van der Meulen (*14-09-1870 te Drachten - †02-05-1963 te Drachten) en ging met zijn vrouw bij de werf aan de Langewyk wonen. De werf werd met schuur, woonhuis en arbeiderswoning werd daaropvolgend van vader Pieter Haikes overgenomen voor de prijs van fl. 2.500,-. Ze kregen vier kinderen, één dochter en drie zonen.
Er ontstond een samenwerkingsverband met broer Ate Pieters van der Werff (*1879 - †1953) van de werf aan de Noorderdwarsvaart. Ze adverteerden gezamenlijk voor opdrachten. Bij aanvaarding werden de op Langewyk gebouwde ijzeren casco’s afgetimmerd aan de Noorderdwarsvaart. De ontwerpen en de bouwtekeningen van de schepen werden, zo goed als alleen maar, gemaakt door Haike Pieters. Naast de odrachten die in samenwerking gebouwd werden bouwde Haike Pieters eveneens zelfstandig opdrachten uit voor nieuw te bouwen schouwen, tjalken, zolderschuiten, motorbootjes en aken. Sommige schepen waren nog van hout, de overige van ijzer en iets later van staalijzer. Ze varieerde in grootte van die van een schouw tot die van een klipper met een lengte van 25 m. De Langewyk liet tewaterlating van schepen groter dan 150 ton ook niet toe. De structurele samenwerking met broer Ate Pieters bleef tot omstreeks 1915 bestaan. Daarna gingen de beide broers ieder alleen verder. De zaken liepen daarna dusdanig goed dat Haike Pieters het niet nodig achtte om meteen toe te treden tot de vereniging van scheepsbouwers in Friesland. Pas in 1923 werd hij lid van deze belangen-vereniging. Tegen het einde van crisisjaren bedankte hij als lid, om na de Tweede Wereldoorlog weer toe te treden.