Schuitmakers
Bij de uitgang van de Surhuisterveenstervaart kwamen veel schepen, pramen, bokken en andere vaartuigen beladen met turf uit de veenderijen bij Surhuisterveen langs. Op de plek waar de vaart in het kanaal uitkwam, ontstond in het buurtschap een belangrijke plek voor scheepsbouw. De Surhuisterveenstervaart was gegraven om de afgegraven turf uit de veenderijen bij Surhuisterveen af te voeren.
Er woonden in die tijd maar liefst 26 schippers in Surhuisterveen die met hun schepen de turf vervoerden. Rohel lag dus op een strategische plek om een scheepswerf te beginnen. In 1748 woonde er volgens het reëelkohier (een belastingregister) één schuitmaker bij Rohel, namelijk Lieuwe Piers. Een jaar later, in 1749, woonden er volgens het quotisatiekohier (een ander belastingregister) twee schuitmakers, te weten Hendrik Roels en Pytter Nannes.
Volgens het speciekohier (ook een belastingregister) waren er rond 1760 drie schuitmakers. Naast Hendrik Roels en Pytter Nannes woonde er ook nog Jan Edses. Hij werd eigenaar van de Rode Helling en de andere twee schuitmakers bleven bij hem in dienst. Je zou het ook zo kunnen bekijken dat de drie schuitmakers compagnons waren.
De locatie van de werf kunnen we herleiden. In de ‘Stads- en dorpskroniek van Friesland’ van Dr. Geert Aeilco Wumkes kunnen we lezen op blz. 258: “Verkoop van een scheepstimmerwerf met helling en behuizing van wijlen Jan Edses, gelegen bij de z.g.n. Rohel aan 't Kolonelsdiep onder Harkema-Opeinde.”, bijbehorende datum 04 februari 1771. Zien we op de minuutplan van het kadaster van 1832 dan is er nog maar één scheepshelling in Rohel.
Deze is circa 100 m ten westen van de uitmonding van de Surhuisterveenstervaart. Dit moet de werf zijn geweest.
In oktober 1770 werd na het overlijden van Jan Edses (ged. 07-05-1730 Bergum - †22-07-1770 te Rodehel) aangekondigd in de Leeuwarder Courant dat de schuitmakerie met gereedschappen en een nieuwe schuite (55x12x3¾ vt) te koop kwam. Uit het onderzoek van Sicco van Albada, verwoord in “De Friese Scheepsbouwers”, kunnen we redelijk nauwkeurig de opvolgende schuitmakers opmaken.
De nieuwe eigenaar werd Johannes Pytters (in 1771). Hij verkocht het in 1773 alweer. Mr. scheepstimmermannen Pytter Nannes, die inmiddels met Sytske Hendriks de weduwe van eerder genoemde schuitmaker Jan Edses was getrouwd, en Hendrik Roels werden eigenaar aan het Knillesdjip en leverden coffescheepjes met zeil en treil tot aan Woudsend. In 1783 zien we dat Frederik Jacobs, die getrouwd was met Tjipkjen Edses, de zuster van Jan Edses, de erven van Pytter Nannes was komen bijstaan. De bouw van grote schepen ging door en er werden cofshepen en schuiten gebouwd tot 63 vt. In maart 1790 werd de helling met timmerwerf en twee woonhuizen in de verkoop gedaan. De nieuwe eigenaar werd boer en kastelein Johannes Meines Boetes die getrouwd was met Beitske Pytters, de dochter van Pytter Nannes.
Hij liet meteen een schuyteschip voor Sieds Benedictus uit IJlst bouwen met touwwerk van Jacob de Haen uit Leeuwarden. Johannes bleef dezelfde klandizie uit de turf en graan houden en bouwde de bekende coffe- en schuiteschepen door op de werf. Op 15 maart 1795 trouwde Johannes zijn dochter Bontje Johannes Boetes (*1774) met Gosse Folkerts Dijkstra (*1770-†1813). Gosse kwam samen met zijn broer Jan Folkerts op de werf werken om de Rode Helling in 1797 in eigendom over te nemen. Ook zij bleven de klanten uit de streek trouw. Na het overlijden van Gosse Folkerts in 1813 werd Jan Folkerts geholpen door Jouke Ates van der Veer, de schoonzoon van Gosse. In 1816 was volgens het kohier van de hoofdelijke omslag Janke Hendriks Schipper (weduwe en tweede vrouw van Gosse Folkerts Dijkstra) eigenaar van de scheepswerf.
Haar stief-schoonvader, de koopman Johannes Meines Boetes woonde bij haar in. Een dochter van Gosse Folkerts Dijkstra, Beitske Gosses Dijkstra trouwde met Jouke Ates van der Veer. Daardoor werd laatstgenoemde eigenaar van de Rode Helling. In 1820 werd volgens het notarieel archief van notaris Romein te Buitenpost de werf verhuurd aan Jan Edses zijn oomzegger Jan Jacobs Bijlsma.
Zijn schoonvader, Johannes Klazes Pool, stond borg voor hem. Eind jaren twintig werd de werf verhuurd aan Oege Pytters Hoekstra die samenwerkte met Jan Pieters Roorda. Jan Jacobs bleef wel als scheepstimmerman werkzaam op de werf. Hij bouwde o.a. pramen en tjalkschepen van 15-20 ellen (10,41-13,88 m). Ze verkochten niet alles maar verhuurde ook de schepen aan schippers uit de nabije omgeving.