Buitenste Verlaat bij Drachten
De werf bij het Buitenste Verlaat bij Drachten werd, volgens familieonderzoeker Ate van der Werff uit Luxemburg, in 1710 gesticht door Aucke Gerrijts, die voorheen scheepstimmerman was in Lemmer waar hij een helling had aan de noordzijde van de Zijlroede. Deze helling verkocht hij in 1709 aan Fedde Sijbrants (*1685 - †1769) om op zijn beurt grond op de hoek van het riviertje de Dreit te pachten van de erfgenamen van Nicolaus Faber. Aucke was in 1702 getrouwd met Trijntje Douwes. Een tante van Antje Martens (*1702 - †1755 te Dragten) die met Haycke Pyters (*1700 - †1733/1745 te Dragten) was getrouwd. Al na zes jaar verkochten Aucke en Trijntje de helling aan Hidde Hylckes, ook uit Lemmer, voor 1.200 caroligulden, welke in jaarlijkse termijnen van 100 CarGls betaald moest worden.
Geldstelsel
Het geldstelsel uit die tijd leek sterk op het stelsel dat tot voor kort in Engeland in gebruik was. Men rekende in guldens, stuivers en penningen. Een Caroli gulden was een munt die onder Karel V vanaf 1521 werd geslagen, en kan zowel een gouden als zilveren munt zijn en was 20 stuivers waard . Een stuiver had de waarde van 16 penningen. In de 18e eeuw gebruikte men bijna uitsluitend nog deze caroligulden, waarvan het symbool was: £ (Pond). Zeer ruw genomen kun je de verhouding tussen 1 caroligulden van toen en 1 euro van nu stellen op 1 op 300. (Bron o.a. Jolt Oostra, "Toponomy fan Easterlittens").
Afbetaling
Na de afbetaling werd de werf op 19 februari 1726 overgenomen door de Drachtster zakenman Rienk Folckerts voor 752 caroligulden. Rienk Folckerts kocht de werf als beleggingsobject voor de verhuur. Er volgden vele werfbazen elkaar daarna in korte tijd op. Pyter Jacobs huurde eerst de ‘Huijzinge en Schuijthuijs’. Daarna was Jan Cornelis de huurder, die in 1736 via de dorpsrechter gesommeerd werd om het gehuurde, overeenkomstig het contract, te verlaten. In 1743 huurde Baucke Gerrijts met zijn vrouw Neeltsje Sickes het huis met de helling bij het Buitenste Verlaat voor een periode van zes jaar. Baucke Gerrijts was een goede timmerman en samen met zijn zwager Jacob Sickes, schipper uit De Knipe, bouwden ze een prachtig schuitje. Door achterstallige huurbetaling werd in december 1747 de huurovereenkomst voortijdig opgezegd. Baucke bouwde nog wel eerst het schuitje af die in april 1748 te water gelaten werd. De opbrengst 300 CarGls was te weinig om zijn bedrijf te redden. Zijn opvolger was Pyter Sikkes (Roorda) (*1698 - †1770), voorvaarder van de Roorda’s van de Piipster werf in Drachten. Deze periode van de Roorda’s op het Buitenste Verlaat is uitgebreid te lezen in het hoofdstuk over de Roorda’s.
Overlijden
Na het overlijden van Pieter Sieberens (*1764) in 1811 bleef de werf tot 1817 in handen van de Roorda’s. Erfgenamen verkochten de werf om hun aandeel in de nalatenschap te kunnen krijgen. Na de veiling van “Eene huising en scheepstimmerwerf met hoving, bomen en plantagie cum annexis staande en gelegen aan het Buitenstee verlaat in de Zuiderdragten” werden voor fl. 750,- de Drachtster grofsmid Sipke Eizes Dijkstra (*12-10-1762 te Gorredijk - †09-03-1830 te Drachten) en ‘scheepstimmerhoudersche’ Sytske Minnes (*1754 te Ureterp - †18-01-1834 te Drachten) ieder voor de helft eigenaars van de werf. Sytske Minnes was sinds 1813 weduwe van Haicke Pyters van der Werff (*01-01-1760 te Noorderdragten - †09-08-1813 te Drachten) en leidde al vijf jaar de werf aan de Noorderdwarsvaart in Drachten. In 1823 deed deze actieve weduwe haar aandeel met een kleine winst weer van de hand voor fl. 450,- en werd de Drachtster grofsmid Sipke Eizes Dijkstra volledig eigenaar. Voor hem betekende zijn investering een automatische klantenbinding voor toe te leveren smeedwerk, door middel van verkregen opdrachten voor de bouw en reparatie van schepen. Na zijn overlijden volgde er in 1831 een openbare verkoping van de werf. De gunning aan zaakwaarnemer Daniël Hulst uit Leek werd echter aangehouden en het kwam toen nog niet tot een finale verkoop. Enkele jaren later werd de werf wel overgenomen. Op 23 september 1834 sloot notaris Karst Jans van der Veen een koopcontract met Sipkes zoon Marten Sipkes Dijkstra (*21-08-1810 te Noorderdrachten -†05-10-1872 te Opsterland) en zijn vrouw Amalia Hendriks Hulst (*1812 - †1848). Van der Veen betaalde fl. 310,-. Tjeerd Pieters Roorda runde in de jaren die volgde de werf, maar er waren amper scheepsbouwactiviteiten van betekenis. Tot in 1843 Haike Pieters van der Werff (*07-12-1814 te Drachten - †30-11-1880 te Drachten) weer terug kwam in Drachten. Hij had de werf aan de Leeuwarder Trekvaart te Harlingen de rug toegekeerd om de leiding van de werf aan het Buitenste Verlaat over te nemen. Karst Jans van der Veen had de ‘scheepstimmerwerf, helling, sleep en verder gereedschappen, met huizinghe en twee knechtswoningen bij Tjeerd Pieters Roorda in gebruik, aan het algemeen vaarwater’ nog wel eerst te koop aangeboden. Maar ook Haike Pieters huurde de werf vooralsnog. Wonende bij de werf werd er door hem een nieuwe timmerschuur gebouwd.