Hiermee kwam de werf op Schilkampen in de verkoop. Één van de geïnteresseerden was Oebele zijn achterneef Ate Pieters van der Werff (*1881 - †1960) wiens vader Pieter Ates van der Werff (*1845 - †1922) op de Bergumerdam een werf had. Een andere kandidaat was nog een achterneef van Oebele. Dit was Ate Tjibbeles van der Werff (*01-03-1888 te Warga - †16-09-1969 te Leeuwarden). Hij was de oudste zoon van de Wargaaster scheepstimmerbaas Tjibbele Ates van der Werff (*1856 - †1926). Om de prijs voor elkaar niet te zeer op te drijven, spraken ze af dat er slechts één van hen zou bieden. Samen hadden ze daarna geloot met stokjes van ongelijke lengte, om te bepalen wie van hen op de werf zou gaan bieden. Het werd Ate Tjibbeles van der Werff die de “een grote schuur met kantoor en magazijn, twee sleephellingen, een woonhuis en een gebouw aan de Kurkemeer met twee woningen” aan de Schilkampen te Leeuwarden finaal kocht op 26 oktober 1909, koopprijs fl. 5.743,-.
Daarnaast werden een buigmachine, ponsmachine, twee knipmachines, veldsmidse, twee Westontakels, drie snijijzers, diverse gereedschappen en enig materiaal voor fl. 1.100,- overgenomen. Ate Pieters van der Werff kocht vervolgens in 1910 de werf van Jan Jans Bos (*1839 - †1910) in Echtenerbrug.
Ate Tjibbeles had op zijn beurt het ijzeren scheepsbouwvak in Warga geleerd op de werf ‘De Onderneming’ van zijn vader. Hij gaf zijn werf de naam 'Welgelegen' wat gezien de locatie zeer toepasselijk was. Een maand later trouwde Ate Tjibbeles op 18 november 1909 in Grouw met Trijntje Pieters Mennega (*08-10-1888 te Valom - †19-10-1978 te Ferwerd). Nadat Ate Tjibbeles de werf had aangekocht bezweek één van de twee oude houten hellingbanen. Dit was het begin van een modernisering op de werf. Er werd een werkplaats bij gebouwd en er kwam een nieuwe dwarshelling met vijf hellingbanen met bijbehorende rails. Ook het woonhuis werd eind 1910 uitgebreid met een serre. Door de komst van de elektriciteit in 1912 kwam er een transformatorhuisje op het terrein.
Ate had in twee jaar tijd zeven skûtsjes gebouwd, maar er konden nu schepen met een lengte van ruim 31 m op de helling als de Friese Maatkast. De zaken verliepen goed met dikwijls wel een zestal schepen op de werf. In de Eerste Wereldoorlog werd Ate gemobiliseerd en werd gelegerd in Noord-Brabant. Hierdoor liep de productie terug, totdat Ate in 1917 op zakenverlof mocht in verband met een belangrijke opdracht. De bouw van een 158 ton tweemast zeilschoener ‘Cato’. Het schip verging op haar eerste tocht in 1918 naar Oslo. De oorlog liep op zijn eind en het werd er niet beter op in de bedrijfstak. Om tot betere afspraken te komen tussen de werven was ook Ate Tjibbeles in 1915 lid geworden van de ‘Friesche Scheepsbouwersvereeniging’. Deze tak van de familie heeft daarna altijd iets gehouden met de vereniging. Was het vader Tjibbele Ates van der Werff die vicevoorzitter werd na de oprichting, zo werd Ate Tjibbeles in 1917 secretaris. Hij bleef dit tot 1948, waarna hij door zijn broer Auke Tjibbeles werd opgevolgd. Ate Tjibbeles werd twee jaar later echter weer secretaris van de vereniging en bleef dit in zijn tweede ambtstermijn tot 1967. Zijn zoon Rienk Ates volgde hem toen op.
Op 31 oktober 1919 had Ate Tjibbeles verdere verbouwingsplannen van de smederij en uitbreiding van de scheeps- en timmerwerf. Er brak een periode van relatieve welvaart aan. Er werd een machinefabriek ingericht. Dit was een strategische goede zet. Er werden meer klanten aangetrokken die de voorkeur gaven aan het schip en voortstuwingsinstallatie gelijktijdig te laten repareren en onderhouden. Daarnaast werden er in de loop van jaren verschillende nieuwe schepen gebouwd. Het personeelsbestand liep hierdoor op tot 70 personen.
Het vakmanschap bleef niet alleen onopgemerkt binnen de scheepsbouw. Ate en Trijntje waren in 1920 naar de Vredeman de Vriesstraat 55 verhuisd. Hun woning op het werfterrein maakte plaats voor een nieuwe loods en de werf werd op 7 juli 1921 ingeschreven in het Handelsregister. Ate werd gevraagd om deel te nemen in een bouwkundig project. Bij de bouw van de Koepelkerk in de Vredeman de Vriesstraat werden de onderdelen van de dragende constructie van het koepeldak van de kerk op de werf vervaardigd. Maar ondanks deze nevenactiviteiten voorkwam Ate niet dat in de crisis jaren een faillissement dreigde. Zijn dure woning aan de Vredeman de Vriesstraat moest verkocht worden en Ate kwam weer op de werf wonen.
De Leeuwarder Reederij Stânfries, die zijn kantoor had aan de Willemskade, werd een nieuwe klant voor onderhoud en reparatie aan haar stoomboten. Mede doordat de bank in 1934 weigerde financiële middelen beschikbaar te stellen aan concurrent Molema, Landeweer en Stemmer voor de bouw van negen ketels waarmee Landeweer hydraulische gereedschappen wilde aandrijven. Hiermee was D. Landeweers Machinefabriek, Scheepsbouwwerf & Motorenfabriek failliet. Ate Tjibbeles slaagde er wel in om uiteindelijk binnen vijf jaar alle schulden te vereffenen.
De economie haalde kort voor de Tweede Wereldoorlog aan. Met het uitbreken van de oorlog werden de werkomstandigheden uiterst moeilijk. Er was geen materiaal te krijgen tenzij je voor de Duitse bezetter ging werken. Hergebruik van sloopmateriaal werd een noodzakelijkheid om aam het werk te blijven. Wanneer er noodgedwongen aan patrouilleboten van de Duitse Kriegsmarine gewerkt moest worden, werd de reparatie zo lang mogelijk vertraagd.