Één van de schippers waar Alle daarna zaken mee heeft gedaan was modderschipper Lammert Jans Brouwer (*1874 – †1954), ‘Grutte Lammert’, uit Kootstertille. Hij bestelde in 1916 een voor zijn doen reusachtig schip van 54,243 ton. De wijdte kwam uiteindelijk op 3,86 m met een lengte van 20,57 m. De naam ‘Hoop doet Leven’ [L 1436 N] werd door Lammert zijn vrouw Jikke Jans (*1878 – †1933) bedacht. Vanaf 1922 was Lammert Jans Brouwer elk jaar bij minstens één hurdsilerij van de partij. Tegenwoordig is de ‘Hoop doet Leven’ in het bezit van nazaat Eke Brouwer en de Lemster SKS-schipper Ale Zwerver.
Een ander type schip werd door Lammert Jans in de winter van 1924-1925 voor fl. 3.500,- gebouwd. Dit was het skûtsje ‘Rust na Arbeid’ [L 1646 N], een 37 tons bolle, omdat het avontuurlijke bestaan voorbij was. De routine van laden en lossen en korte stukjes bomen, zeilen of trekken voor krappe prijzen kwam ervoor in de plaats.
Ook hier werden wedstrijden mee gevaren. In het seizoen 1948 was de ‘Rust na Arbeid’ er voor het laatst bij.
Een ander befaamd skûtsje van deze werf is de ‘Friesland’ [L 1944 N] uit 1910 (19,46x3,53m). Lodewijk Meeter (*1915 – †2006) kocht het in 1947 van Bauke van Keimpema (*1887 – †1969) uit Earnewâld. Meeter, in de vijftiger jaren één van de initiatiefnemers van de huidige competitie skûtsjesilen van de SKS, bleef ermee zeilen tot 1966 in de in 1946 opgerichte SKS. Tegenwoordig zeilt de ‘Friesland’ met regelmaat in de Iepen Fryske Kampioenskippen Skûtsjesilen (IFKS). Schippers waren Allard Syperda, Tjitske Visser, Hidzer Lodewijksz Meeter en Lodewijk Hidzersz Meeter.
In 1917, tijdens de eerste wereldoorlog, komt het werk op de werf in Briltil stil te liggen door gebrek aan grondstoffen en wordt Alle boer. Wel blijven er smid Smallenbroek en timmerman Van der Heide aan de werf verbonden voor de reparatie van zwaarden en roeren van schepen die langs kwamen. Bijna niemand liet meer zo’n duur schip van beperkte afmetingen bouwen.
In 1922 kreeg Alle contact met Hendrik Koning. Hij was bedrijfsleider op de scheepswerf van Smit te Vierverlaten en wilde wel voor zichzelf beginnen. Alle en Hendrik zijn compagnons geworden en zijn weer kleine schepen gaan bouwen onder de firmanaam ‘Barkmeijer en Koning’ wat de start werd van een derde bloeiperiode met de komst van de motorschepen. In deze tijd was Alle weer de hellingbaas. Coasters, zandzuigers, dekschuiten, roefscheepjes glijden in het Hoendiep. Tjalken of klippers groter dan 300 ton, waar misschien nog wel emplooi voor was, konden vanaf deze plek achter het nauwe bruggetje van Oostwold, de Oostwolderdraai, niet op ruimer water komen.
Een ander type schip werd voor Lammert Jans in de winter van 1924-1925 voor fl. 3.500,- gebouwd. Dit was het skûtsje ‘Rust na Arbeid’ [L 1646 N], een 37 tons bolle, omdat het avontuurlijke bestaan voorbij was. De routine van laden en lossen en korte stukjes bomen, zeilen of trekken voor krappe prijzen kwam ervoor in de plaats. Ook hier werden wedstrijden mee gevaren. In het seizoen 1948 was de ‘Rust na Arbeid’ er voor het laatst bij.
Er werd in 1926 nog een bolschip gebouwd voor de binnenvaart. De ‘Vier Gebroeders’ [G 2199 N] voor de broer van Lammert Jans Brouwer, (Tjitte-om) Tjitte Jans Brouwer (*1890 - †1986), de grootvader van de Heerenveenster SKS-schipper Pieter Sietsesz Brouwer. Het schip van 19,13x3,78 m was vernoemd naar zijn vier zonen en in een tijd van schaalvergroting niet een groot schip, maar wel een meter groter dan die van zijn broer.
Ook de holte was met 1,07 m gering. Bij de eerste meting in Groningen op 23 maart 1926 gemeten op een laad-vermogen van 40,145 ton. Dit zal Tjitte Jans waarschijnlijk zijn tegengevallen. Hij liet het een week later op 2 april in Leeuwarden nogmaals meten. Bij gelijke afmetingen werd het laad-vermogen nu op 42,978 ton vastgesteld. De derde meting werd in 1932 verricht. Afmetingen en tonnage waren nagenoek gelijk. Opvallend is wel dat de naam was gewijzigd in ‘De Vijf Gebroeders’. Als we dan in de gezinssamenstelling kijken zien we dat Tjitte en Neeltje er een zoon, Pieter, bij hadden gekregen in 1929.
Tien jaar heeft die fase geduurd, maar ook voor de helling van Barkmeijer in Briltil is de crisis de oorzaak van de sluiting in 1935. In de oorlog worden de schuren gesloopt en de machines verkocht. Een restant van het hellinggat is het enige dat eraan herinnert. Alle is gaan rentenieren.