Murk trouwde met Wiepkje Yntema (*24-08-1884 te Bolsward - †08-10-1962 te Franeker) Zij was onderwijzeres en gaf les in fraaie handwerken, maatknippen en kostuumnaaien. Haring trouwde op 1 november 1906 in Franeker met Anna Koster (*16-08-1878 te Franeker - †08-05-1931 te Zaandam). De jonge Brandsma’s leerden in de jaren 1903-1905 wel scheepstekenen op de werf ‘Welgelegen’ van Anne Adamus Alta (*1886-†1920) in Harlingen en het werk in de ijzeren scheepsbouw. Het gevolg hiervan was de oprichting van de Firma R. Brandsma & Zonen, met firmanten Rients, Murk en Haring Brandsma. Op de werf werd in 1905 een nieuw bord uitgehangen aan de Leeuwarderweg 2: ’R. Brandsma & Zonen’, met de vermelding ‘Nieuwbouw en Reparatie van Yzeren en Houten Schepen’. Ook in de kranten werd aangegeven dat vanaf dit moment de werf zich bezigde met IJzeren en Houten Scheepsbouw. Er werd voor het eerst een ijzeren klipper gebouwd in dat jaar op de werf. Deze nieuwbouw in ijzer ging door tot in september 1924. Het jaarinkomen van Rients Brandsma bedroeg in 1907 fl. 1.400,-. Zijn kosten in het levensonderhoud werden toen geschat op fl. 350,-. De firma werd op 01 januari 1909 omgezet in een vennootschap.
In de gloriejaren van de werf werkten er enkele tientallen mensen. Er zijn Westlanders, snikken, tjotters, passagiers- en veeschepen, zeven tjalken van 80 en 90 ton, dertig pramen, ongeveer zeventig motorvrachtschepen, drie hevelaken, een Westlander en zes klippers gebouwd. De opdrachten kwamen niet alleen uit Friesland, maar ook van daar buiten. Diverse schouwen, (hevel)aken, diverse motor(vee)boten, dekschuiten, veerpont, baggerschuiten en vracht- en beurtschepen voor de 1e, 2e en 3e klas vaarwater werden door de gebroeders en heit gebouwd. Er werden zeker elf skûtsjes gebouwd. Het skûtsje ‘Ut en Thús’ [L 1808 N] van Henk Regts uit Nij Beets dat nu uitkomt in de IFKS, gleed in 1910 van de helling in opdracht van Halbe Visser uit Earnewâld. De bouwkosten bedroegen fl. 2.800,- voor een schip van 17,32x3,69 m en 37,418 ton laadvermogen. De industriemotor die er tien jaar later in werd gezet kostte veel meer. Een ander skûtsje van deze werf dat nu nog uitkomt in de IFKS is de ‘Frisia’ [HN 4274] van Robert de Jong uit Lemmer. Murk Brandsma bouwde in 1914 een praam voor onder andere Wouter Hylkema uit Minnertsga, zo doet blijken uit een bouwtekening die bewaard is gebleven in het Fries Scheepvaartmuseum. Deze praam had een scherpe voorkant en een scherpe achterkant en had daardoor veel weg van een snikke. De ‘Belikumer’ praam die Hylkema daar heeft laten bouwen had een lengte over alles van 7,90 m, was 1,90 m breed en had een holte van 0,65 m. De praam kon daarmee een vracht van 3 ton vervoeren. Murk en Haring kwamen er wel achter dat de ijzerbouw ook zijn specialisten vroeg. Er werden dan ook al snel bekwame klinkers, handlangers en bekwame ijzerwerkers gevraagd waar ze ook een hoog loon tegenover zette. Toch werden er in 1913 ook nog wel houtwerkers gevraagd om op de werf te komen werken. De werf kreeg bekendheid als een speciaal adres door de nieuwbouw van motorboten. Deze werden afgeleverd in verschillende afmetingen, in tonnenmaat variërend van 20 tot 130 ton.
Murk was vanaf de oprichting van de ‘Friesche Scheepsbouwersvereeniging’ in 1915 actief met deze nieuwe organisatie bezig. Eerst als penningmeester en van 1920-1927 als voorzitter. Hij volgde hiermee Ulbe Wzn Zwolsman op. Ook Murk stond een goede samenwerking tussen de verschillende werven voor ogen, waarin afspraken werden gemaakt om het hoofd boven water te blijven houden. Zeker in de moeilijke periode na de Eerste Wereldoorlog.
Brandsma senior overleed in 1918. Na zijn dood berustte de leiding van de werf bij Murk en Haring. De aanloop naar een groeiende markt na de Eerste Wereldoorlog was niet eenvoudig. De scheepsbouw kwam wel op gang, maar hield nog niet over. De Gebroeders Brandsma zochten naar een afzetmarkt waar wel brood in te verdienen was. Naast de scheepsbouw werd de werf ingericht als constructiewerkplaats. In 1919 werden de “Heren Landbouwers!” erop geattendeerd dat er aan de Dongjumervaart ook ploegen werden gebouwd. Ploegen, gebouwd naar buitenlandse systemen, onder praktisch toezicht. Deze ploegen waren zeer geschikt voor de zware klei die in het noorden van Friesland zo rijkelijk aanwezig was. De verkoopcijfers werden een enorm succes.
De gebroeders lieten de scheepsbouw echter niet los. Er werden zeilschepen, motorboten, zolderschuiten en pramen gebouwd. Om ze aan de man te brengen kwamen ze naar de klant toe. Tot in de jaren twintig kon in advertenties van de Leeuwarder Courant gelezen worden dat de gebroeders vrijdags in ’t Friesch Koffiehuis te Leeuwarden tussen 11:00 en 13:00 uur aanwezig waren om potentiële klanten te woord te staan. Deze benadering zal zeker zijn vruchten hebben afgeworpen. Op de kleine familiewerf, met een toegang tot 7,50 m scheepsbreedte bij de Oosterpoortsbrug, werd zelfs een Rijnkast van 45,50x6,70 m, een twee mast schoener en een logger in 1919 gebouwd. In 1920 werd er een stoomboot van 24 ton verkocht. Al met al werden er tussen 1905 en 1924 door de firma 150 schepen van verschillende afmetingen gebouwd. Ondanks de beperkte mogelijkheden werden er zelfs zeewaardige schepen van 400 tot 500 ton gebouwd. Deze schepen met de grootste maat brachten het bedrijf tot de grootste bloei.
Eind 1922 kreeg de gemeente Franeker een brief van de Gedeputeerde Staten (GS) van Friesland waarin zij voorstelden om de Oosterpoortbrug, een draaibrug, te vervangen door een aarden dam. Dit zou vooral voor het landverkeer een grote verbetering wezen. Er kwamen uit de wijde omtrek vele bezwaarschriften, ook van Brandsma, op het voorstel. Schepen breder dan 5,00 m konden bij de uitvoering van dit voorstel niet meer naar Noordwest Friesland. Het college van B&W beslisten tegen de verwijdering van de brug. Een jaar later liet GS weer van zich horen. De draaibrug was bijna niet meer te bewegen en werd tot nader order gesloten voor alle scheepvaartverkeer. Het gevolg was een jaren lange correspondentie tussen de gemeente, GS en het Ministerie van Waterstaat.
Deze beslommeringen welke grote gevolgen konden betekenen voor de scheepswerf, weerhield Murk en Haring er niet van om in 1924 een vergunning aan te vragen tot het plaatsen en in werking hebben van een 12pk elektromotor met kompres ten behoeve van het pneumatisch klinken op het terrein. Er kwamen geen bezwaarschriften binnen, waardoor de vergunning werd verleend indien de installatie voor juli van dat jaar gereed zou zijn.
Haring trad in januari 1926 uit de firma en werd directeur van de Zaanlandsche Scheepvaart Maatschappij in Zaandam. De vennootschap werd hierdoor op 01 april 1926 ontbonden. Broer Jan zijn hart lag bij de houtbouw. Hij was in februari 1898 al naar Rohel verhuisd met zijn vrouw Grietje van der Schoot (*07-04-1873 te Franeker - †16-12-1951 te Kootstertille). Zijn schoonvader Evert van der Schoot, koopman te Franeker, had op 11 januari 1898 in een publieke verkoop, op last van en garant staande voor zijn schoonzoon Jan, een bestaande scheepswerf van Weduwe Andries Liekeles Hoekstra aan het Kolonelsdiep in Rohel onder Harkema Opeinde gekocht. Jan wilde liever voor zichzelf beginnen. De contacten met zijn broers bleef goed. Zo nu en dan bouwde Jan volgens tekeningen die door zijn broer Murk in Franeker werden gemaakt.