Na het overlijden van Jelle Jelles Croles in 1900 zet zijn vrouw Klaske Anskes Syperda de werf voort. Hun enige zoon, wederom een Jelle Jelles (*23-08-1869 te IJlst - †30-06-1936 te Leeuwarden) stond zijn moeder wel bij, maar Jelle Jelles trad, weliswaar aanvankelijk opgeleid voor de scheepsbouw, in de politieke voetsporen van zijn voorvaderen. Na een rechtenstudie in Amsterdam begon hij aan een loopbaan als advocaat en werd later rechtbankgriffier, rechter, raadsheer en president van het Gerechtshof in Leeuwarden. Hij hield zich in de Senaat bezig met onderwijs en justitie en was pleitbezorger van onderwijs in het Fries. Voor de werf werd op 20 november 1901 een naamloze vennootschap opgericht. De werf ging verder onder de naam ‘N.V. Scheepsbouw Mij. voorheen J.J. Croles’. Uit het onderzoek van Frits Boschma uit IJlst bleek dat naast Jelle Jelles Croles de vennoten waren de IJlster houthandelaar Jan Jans Oppedijk, de van de firma Oppedijk afkomstige houthandelaar Vilhelm Hans Sofus Carstens en Hendrik Tuymelaar uit Bloemendaal. De laatste was lid van de industriebank te Haarlem. Ze brachten, behalve het startkapitaal van fl. 75.000,-, ook verschillende onroerende goederen in.
De Ridderkerker Cornelis de Quaadsteniet werd aangesteld als directeur en kreeg de touwtjes in handen. Het ging goed op de werf en de schepen rolden als zoete broodjes van de helling, gezien de aantallen per jaar. De werf werd te klein hierdoor en daarom was uitbreiding noodzakelijk. Naast de dubbele schuur van 30 x 15 m werden er in 1902 werkplaatsen bijgebouwd voor fl. 10.096,- door aannemer Andries G. Visser uit IJlst. Van 1902 tot en met 1905 werden er van alle schepen gemiddeld zelfs zes skûtsjes per jaar op de werf gebouwd. Ondertussen trouwde Jelle Jelles Croles in Leiderdorp in juli 1905 met Jacomina Koning. Hun zoon Jelle Jelles zou tussen 1946-1971 ook burgemeester worden. Nu niet van IJlst maar van Bodegraven. In 1904 kwam er een nieuwe directeur op de scheepswerf. Dit was Blazius Slikkerveer (*1860 te Ridderkerk - †1936 te IJmuiden) ook uit Ridderkerk, die eerder scheepmaker, machinist en ketelmaker was geweest. Kennelijk was hij niet de geschikte persoon. De opdrachten liepen terug en het bedrijf geraakte in de rode cijfers. In 1906 werd de beslissing genomen door de aandeelhouders tot het beschikbaar maken van geldmiddelen door het bedrijf (eventueel gedeeltelijk) te beëindigen. Er werkten op dat moment 40 volwassen arbeiders en zes kinderen op de werf. Hendrik Okma, lid van de tweede kamer van de Staten Generaal, uit Sneek werd aangesteld als curator om het geheel aan bezittingen van de onderneming aan te duiden. Als we hier naar kijken zien we de ontwikkeling van de werf ten opzichte van een halve eeuw geleden. De houtwerf was een echte ijzerwerf geworden. Nu lag er 17.725 kg plaat-, hoek-, reeling-, T- en profielijzer, halfrond en strippen. 1.050 kg smeedijzer met 40 hl smeedolie, oudijzer in de vorm van afval van hoek-, strip-, profiel en plaatijzer. Verder kwam men 2.975 klingnagels, koperwerk, gaspijpen, staal, moerbouten, gietijzer, verfstoffen en oliën tegen.
In de scheepstimmerschuur werd een boormachine, stoompons, stoomschaar, drie slagponzen, horizontale pons, twee buigmachines, handvormschaar, hefboompons, vlakplaten, duplexponzen, gereedschap en een 6pk Deutz motor met ventilator aangetroffen. Daarnaast lagen er voorhamers, hand-, bank-, klink- en rekhamers met een partij hamerstelen, vier aambeelden, drie bankschroeven, tangen, gasdraad, pijpsnijders, dommekrachten, vijzels, kaapstaanders, takels en takelblokken, schaafbanken, touwwerk, ketelklemmen, acht veldsmidsen, kettingen met ankers, stophout kielbalken, sleden, hellinghaken, petroleum, teer, machineolie en benzine. Op het werfterrein stonden nog een aantal schepen in aanbouw, zoals een klipperschip motorbootje, tjalkschip, praam, pontje, schoener en twee sleepboten.
Met een nieuwe geldschieter werd op 1 april 1907 de N.V. Friesche Scheepsbouw Maatschappij opgericht met een beginkapitaal van fl. 60.000,-. Fredericus Wortelboer werd de nieuwe directeur. Ondanks dat er daarna nog circa 10 skûtsjes werden gebouwd en andere schepen variërend van 30 tot 500 ton zag de familie Croles en de aandeelhouders uiteindelijk echter niet veel heil meer in de scheepsbouw.
De werf bleef nog voortbestaan totdat de familie in 1910 de handdoek in de ring gooide en besloot de zaak te verkopen. De werf werd publiek verkocht in 1911. Jelle Jelles woonde inmiddels al aan de Emmakade in Leeuwarden. Toch gleden er in de topjaren 1902, 1903 en 1904 zes á zeven skûtsjes per jaar van de helling. Ook in het laatste volle jaar werden er nog vijf skûtsjes gebouwd. Het laatste skûtsje was de ‘Zorg en Vlijt’ [S 998 N] voor Ruurd Koopmans uit IJlst. Dit schip werd 22 mei 1911 gemeten vanuit het district Sneek. De skûtsjes van de scheepswerf Croles waren over het algemeen wat stomp en vol in de kop en werden daarom soms ‘Butsekop’ genoemd. Ook bouwde de werf een naam op met de snelle tjalken en aken die er werden gebouwd, waarbij er ook vele exemplaren een gepiekt achterschip hadden en zelfs een zuivere s-spant kregen. Werfboeken of bestekken zijn van hun werf voor zover bekend niet bewaard gebleven.
Bij de verkoop in 1911 werd het hele terrein opgesplitst in een aantal kavels (IV t/m VII). Volgens een kopie van de handgeschreven akte over de verhandeling van de liquidatie van de scheepswerf, op 27 maart 1911, door Notaris Willem Wierda, zijn percelen V, VI, VII met dubbele bouwschuur gelegen aan de kolk gekocht door Willem Everts Zwolsman, scheepsbouwmeester te Makkum voor fl. 6.027,-. Scheepsbouwer Willem Everts Zwolsman uit Makkum had tijdens de veiling meegeboden op de oude werf van Croles en bleef er (ongewild) aan hangen. De werf, onder de naam ‘Friesche Scheepsbouw Mij.’, is dan gevestigd in enkele loodsen aan de latere houtkolk. Tussen 1911 en 1920 zijn op de werf te IJlst voornamelijk binnenvaartschepen gebouwd. De opbloei was echter van korte duur. In 1920 werd de werf opgeheven en de hellingloodsen met timmerschuur en woning verkocht aan de houthandel van mast- en blokmaker Sybolt Okke de Vries (*07-12-1852 te Woudsend - †21-05-1939 te Leeuwarden) uit IJlst. De timmerschuur en hellingloodsen zijn in 1989 afgebroken ten behoeve van de aanleg van de W.M. Oppedijkstraat. Ondanks de crisis in de jaren dertig groeide het bedrijf van Sybolt Okke de Vries na de oorlog uit. De activiteiten werden uitgebreid met de handel in vuren, grenen, maar ook in verschillende hardhoutsoorten en plaatmateriaal. In 1972 werd er in een veranderende markt een samenwerking gevonden met houthandel Kunst uit Groningen. Desondanks brak er een slechte tijd aan voor de houthandel. In 1985 kwam er een fusie met Oberman en Bangma tot stand. Door schaalvergroting werd het bedrijf uit IJlst in 1988 verplaatst naar Heerenveen. Nazaat Sipke de Vries werd bedrijfsdirecteur in Groningen en Eeltsje Durk de Vries in Dokkum en Heerenveen. De naam werd veranderd in ‘Houtgroep Nederland Beheer NV’.
De cijfers vielen in 1995 tegen als gevolg van de afwaardering van de voorraden. Een relatief dure inkoop, gevolgd door een prijsval en teruglopende verkoop. In 1996 vond er wederom een fusie plaats nu met Eecen uit Oudkarspel en werd ‘Houtgroep Eecen Nederland BV’ qua grootte de derde houthandel van Nederland. Men was echter niet gelukkig met de nieuwe naam en het bedrijf werd in 1998 opgedeeld in een aantal zelfstandig opererende onderdelen die oude namen kregen. Vanuit Heerenveen werd het Oberman Oppedijk BV en vanuit Groningen werd het Kunst Oberman. Het onderdeel van Oppedijk was ook afkomstig uit IJlst welke voortgekomen was als houtleverancier voor de vele scheepswerven die IJlst rijk was. Tegenwoordig na weer een fusie een dochteronderneming van Pontmeyer BV/PontEecen N.V. uit Zaandam.
Perceel IV wordt op dezelfde datum, 27 maart 1911, gekocht voor fl. 2.317,- door Tjerk (*28-08-1869 te IJlst - †18-08-1934 te IJlst) en Gooitzen Bakker (*11-04-1873 te IJlst - †05-12-1931 te IJlst). Op dit perceel is de lange loods aan ‘De Vaart’ gebouwd door de gebroeders Bakker voor hun mast-, blok- en pompmakerij. Hun geëmigreerde halfbroer Jouke Zeldenrust attendeerde de gebroeders over de windmotoren. Na twee uit Amerika overgekomen exemplaren die niet voldeden, ontwikkelde het bedrijf zelf een type. De Gebr. Bakker te IJlst ontworpen en vervaardigden begin 20e eeuw naar Amerikaans model een windmolen van het type ‘Record, nr. 14’. Tegenwoordig staat er in het open gebied tussen Ysbrechtum en de noordelijke rondweg rond Sneek nog een exemplaar. Deze molen is als uitzondering bij windmotoren van deze afmetingen uitgerust met 12 in plaats van 16 wiekbladen. De molen bemaalt het voormalige bemalinggebied ‘Ysbrechtum’ en maalt uit op de Franekervaart (Friese boezem). De molen staat op de lijst van Rijksmonumenten en op de toren is een geëmailleerd bordje aangebracht met hierop de tekst: 'Gebr. Bakker IJlst Poldergemalen'.
Op 6 april 1914 volgt dan de oprichting van vennootschap de firma Bakker met werkplaats en erf te IJlst op kadastrale sectie B nr. 929. De firma ‘Gebroeders Bakker BV’, legden zich toen geheel toe op de productie van metalen windmolens voor polderbemaling. Zij voorzagen geheel Fryslân van grote metalen windmolens voor polderbemaling naar het Amerikaans concept. In 1916 werd achter de loods een grote windmolen gebouwd met een toren van 18 meter hoogte, zodat men bedrijf en draaibank en zaagmachines zo nodig op windkracht kon laten draaien. De nu daar nog werkende generatie importeert nog steeds spare parts uit de Verenigde Staten. In de jaren ’60 en ’70 is door de gunstige ligging aan doorgaand vaarwater de overgang naar de opkomende watersport gemaakt. Het bedrijf legde zich toe op het plaatsen van schroefinstallaties en keerkoppelingen in boten, het inbouwen van scheepsmotoren en het leveren van scheepsbenodigdheden. Op 1 januari 1983 neemt Sibbele Bakker het bedrijf over en veranderd de naam van ‘Gebroeders Bakker BV’ naar ‘Technisch Bedrijf Bakker IJlst’. eerst door de verkoop en reparatie van schroeven en het langzaam opbouwen van een watersportwinkel. Er werden veel automotoren omgebouwd tot scheepsmotoren, en in schepen ingebouwd.