Kromwâl
Op Kromwâl kwamen in de 16e eeuw de Menisten in het geheim samen. De navolgers van de Friese pastoor Menno Simons (*1496 - †1561), vervolgd vanwege hun afwijkende geloof met hun specifieke kijk op de doop. In plaats van kinderen te laten dopen, zoals dat tot dan toe nog bij de meeste andere kerken gebruikelijk was, kenden zij slechts de (volwassenen)doop op vrijwillige basis. Ze konden op Kromwâl in betrekkelijke rust bijeenkomen om er te preken. Volgens overlevering vonden Doperse leiders aan de zeilvaart bij Kromwâl onderdak bij een visser die de religie was toegedaan, in zijn eenvoudige woning, die gedeeltelijk schuil ging achter struikgewas en oeverriet. Er kwam naast de latere werf op deze plek een menistenkerkje. Deze ‘Vermaning’, die tot 1805 dienst deed, was niet meer dan een grote vierkante kamer. Wanneer er te veel mensen bij de dienst kwamen werden die op zolder geplaatst om het woord door een luik aan te horen. In 1822 werd voor het kerkje een pastorie gebouwd. Hier hebben ze gebruik van gemaakt totdat de Menisten Kromwâl in 1863 verlieten en naar Itens togen. Daar staat nog steeds het complex van de ‘Formanje’.
Britswerd
Nabij Britswerd lagen de waterplassen het Swaenwerdermeer en het Britswerdermeer. Ondanks dat de agrarische sector de boventoon had in Britswerd, werd vanuit Britswerd dan ook wel op de nabij gelegen wateren gevist. Met het inpolderen van het Swaenwerdermeer in 1834 en het Britswerdermeer in 1855 verdwenen de laatste beroepsvissers. Britswerd werd een echt agrarische dorp.
Om de vissers en boeren te bedienen, maar vooral het drukke scheepvaartverkeer op de Franekervaart was er in de nabijheid van Britswerd een scheepstimmerwerf ontstaan. De Franekervaart was de verbinding geworden voor de boeren om hun kaas en boter naar de steden te vervoeren. Duidelijk is dat in 1651 er een helling op Kromwâl was aan de vaart. Uit dat jaar is namelijk een bewijs bewaard gebleven van meester schytmacker Lyuwe Dircx, die verklaarde schuldig te zijn aan “Eelcke Rimerts, holtcoper ende gemeensman tot IJlst, de somma van één honderd seuven en tsestich cargls., heercomende van gekofte ende te dancke ontfangen plancken en de cromholten”. In 1689 ging de werf met woning over in handen van Pytter Pytters de Jonge en op 17 december 1728 werd Doeckle Abes (ged. 24-09-1702 te IJlst), getrouwd in 1726 met Sjoukjen Tjamkes, er meester schuitmaker. Doeckle Abes was een scheepstimmerman afkomstig van IJlst.
Kinderen
Een zoon van Aabe Tjamkes (*1679) en Rigt Doeckles (*1678) uit IJlst, die 18 kinderen kregen tussen 1702 en 1733 waarvan zes jong overleden. In de ‘Stads- en dorpskroniek van Friesland’ van Dr. Geert Aeilco Wumkes kunnen we lezen op blz. 72 dat Doeckle Abes het op Kromwâl aanwezige huis, schuitmakerij en helling voor 240 goudgls met klinkende munt kocht. Hij werd later bijgestaan door zijn broer Gerben Abes (ged. 27-07-1710 in IJlst - †25-04-1773 te Britswerd), die met zijn uit Britswerd afkomstige vrouw Wytske Jacobs op Kromwâl kwam wonen. Doeckle Abes stapte uit het bedrijf in 1757, nadat hij met zijn tweede vrouw Antje Willems uit Poppingawier trouwde. Hij legde zich toe op stalman, een stalhouder met enkele stuks vee. Gerben Abes en Wytske Jacobs zette de werf alleen voort. Ze kregen op Kromwâl drie kinderen waarvan één zoon, Abe Gerbens (ged. 07-02-1745 te Britswerd - †13-08-1820 te Britswerd).
Overname van de werf
Abe Gerbens groeide op de werf op en trouwde in 1770 met Renske Eedes (*09-04-1747 te Winsum - †<1790). Na het overlijden van Gerben Abes nam Abe Gerbens de werf over in 1773, het jaar dat zijn oudste zoon werd geboren. Het verhaal wil dat Abe Gerbens in 1793 een kotter van ene rijke Lord ‘Six’, commandant van een Engels oorlogsschip, moest repareren. Die had een aanvaring gehad bij de driesprong van de Franekervaart en de Harlingervaart met een geladen modderskûtsje. Het skûtsje was met het stoothout in de zijkant van de kotter gevaren. De schade was dermate dat er wel drie weken werk aan zat om het gat in de romp te repareren. Het was deze Abe Gerbens die in 1811 de familienaam Van der Werf aannam, nadat zijn uit prinsgezindheid naar het Oost Friese Emden uitgeweken zoon Aede Abes (*09-10-1775 te Britswerd) de naam ook al had aangenomen.