Het huidige bedrijf beschouwt het jaar 1903 als vestigingsjaar. Hoewel de werf op de Midsbuorren aan het Wartenaarster Wijd dus heel wat ouder is, is dat wel begrijpelijk. Immers in dat jaar nam Gerben Arends Bijlsma na een gedegen opleiding bij andere werven de oude familiewerf de ‘Volharding’ weer over. Doeke Tietes had niet alleen oog voor de belangen van de werf, maar ook voor de toekomstige leiding van het bedrijf gehad. In 1890 vond hij voor Gerben in Leeuwarden op de Schilkampen werf van Wietze Tjibbeles Kamp een leer- en werkplaats. Later zou Gerben nog naar Minne Molles van der Werf in Bergum en naar Jan Douwes Barkmeijer in Birdaard gaan.
Op 25 mei 1895 trouwt Gerben in Leeuwarden met arbeidersdochter Mintje Post (*02-04-1870 te Loënga - †07-02-1937 te Wartena) uit Birdaard, die hij ongetwijfeld heeft leren kennen toen hij op de scheepswerf in dit dorp aan de Dokkumer Ee werkte. Hij was van plan om, zodra dit mogelijk was, terug te keren naar zijn geboortedorp Wartena om daar zelf de leiding in handen te nemen van zijn ‘eigen’ scheepswerf en daarmee het ouderlijke bedrijf als zelfstandige ondernemer voort te zetten.
Op 5 maart 1903 vestigden Gerben en Mintje zich met hun drie kinderen Wiebe Gerbens (*01-07-1896 te Birdaard), Arend Gerbens (*29-06-1898 te Leeuwarden - †15-12-1970 te Wartena) en Fokje (*01-12-1900 te Leeuwarden) in Wartena. Hylke Johannes Douma, inmiddels alleen werfbaas, verruilt de scheepstimmerwerf in Wartena voor de voormalige Barkme-ijer werf in Birdaard waar hij het nog ruim tien jaar volhield. Gerben werd eindelijk scheepsbouwer en eigenaar van de hem, door zijn ouders Arend Oeds en Fokje Gerbens, nagelaten scheepstimmerwerf met opstallen in Wartena. De opstallen bestonden toen uit een houten schuur, een paar oude huisjes en een werfterrein. Op dat terrein was een lier geplaatst waarmee een praam of een niet al te groot vrachtscheepje als een skûtsje op de wal getrokken kon worden.
Gerben ging onmiddellijk van de bouw en reparatie van houten schouwen en pramen over op de ijzerbouw. In 1904 schafte hij zich gereedschap aan voor de bouw van ijzeren schepen, waaronder een slingerpons, slingerschaar, veldsmidse en klein gereedschap. Het eerste ijzeren product werd een roeischouw. Toch bleef hout nog lange tijd het favoriete materiaal voor fraai gelijnde schepen. In 1906 legde hij de meesterproef af met de bouw van zijn eerste ijzeren skûtsje voor Jan Bergsma uit Wartena, dat veelbetekenend de ‘De Eersteling’ [L 1028 N] genoemd werd. Ook wel als ‘De Eersteling van Wartena’ aangeduid. Dit schip werd op 1907 met een lengte van 14,30 m lang en 3,33 m breed 19,330 ton gemeten.
Naast nieuwbouw zag Gerben het belang van reparatie in voor de ontwikkeling van zijn bedrijf. Daarom kocht hij in 1909 in de directe nabijheid van de werf een stuk grond dat hij inrichtte als reparatiewerf. Er kwamen een dwarshelling met vier hellingwagens op te staan, waarop de toen in Friesland meest gangbare vrachtscheepjes uit het water konden worden getrokken. De binnenvaart werd met de bouw van skûtsjes, in deze jaren met gemiddeld drie per jaar, een belangrijke markt. Voordat de Eerste Wereldoorlog zijn invloed op de scheepsbouw zou hebben liet deze begaafde scheepsbouwer in 1914 nog vijf skûtsjes bouwen waaronder de ‘Emanuel’ [L 1393 N], het oude Earnewâldster SKS-skûtsje (van 1978 tot 2005). Met dit schip werd Jeen Ulbesz Zwaga voor de Kommisje Earnewâld SKS-kampioen in 1982 en ’83. De werkzaamheden liepen daarna sterk terug. Er is verder weinig bekend over de eerdere productie van skûtsjes, maar het lijkt wel aannemelijk dat de werf na 1914 niet meer skûtsjes heeft gebouwd.
Op deze werf werden in de periode tot 1915 zeker éénentwintig roefschepen gebouwd. Hiervan is van dertien bekend dat ze tegenwoordig nog rondvaren. Recreatief maar ook binnen de IFKS als wedstrijdskûtsje, zoals de in 1907 gebouwde ‘Nooit Volmaakt’ [L 1065 N] van Cees Riezebos uit Hindeloopen en de in 1908 gebouwde ‘Lytse Earnewâldster’ [L 1083 N] van Sjoerd Kleinhuis uit Earnewâld. De Strontrace van Workum naar Warmond en weer terug wordt al jaren gedomineerd door de ‘Rust na Arbeid’ [L 1281 N]. In 1912 ook hier gebouwd voor W. de Jong uit het naburige Warga.
Gerben en zijn zoons Wiebe en Arend zorgden in de oorlog voor brood op de plank door bomen tot brandhout te verzagen en aan de man te brengen. Na de capitulatie van de Duitsers in 1918 leefde de scheepsbouw ook hier weer op. Om alle opdrachten van voornamelijk betrekkelijk kleine vaartuigen te kunnen uitvoeren moest het personeelsbestand worden uitgebreid. De éénmanszaak werd in 1921 omgezet in een vennootschap met mede firmanten zoon Wiebe Gerbens en Arend Gerbens. De firma G. Bijlsma en Zn. was ontstaan. Arend Gerbens trouwde hetzelfde jaar op 11 mei 1921 met Aaltje Haijma (*30-01-1898 te Britsum - †22-10-1984 te Wartena). Later, in 1927, nam Gerben zijn derde zoon Folkert Gerbens (*17-07-1904 te Wartena) de plek van Wiebe Gerbens in.
In deze periode was het bouwen van schepen geen gemakkelijk karwei. Hoewel het bedrijf in 1919 was aangesloten op het elektrische net, waren er praktisch nog geen elektrische gereedschappen. In 1922 kwamen de eerste elektrische gereedschappen op de werf in de vorm van boormachines en een smidse. In 1923 deed de eerste elektrische klinkmachine haar intrede. En in 1930 werd voor de werkplaats een elektrische takel met loopkat en een hijsvermogen van 500 kg aangeschaft. De nieuwe takel werd gemonteerd aan een zelf aangelegde rail, waardoor er in de werkplaats over de gehele lengte elektrisch hijsvermogen was. De nieuwe elektrische installaties, werktuigen en gereedschappen betekenden enorme verbeteringen, zowel voor het bedrijf als voor de mensen in de werkplaats. Desondanks trad er weer een inzinking in op de scheepsbouwmarkt. Er kwamen eerst nog wel opdrachten uit Amsterdam voor het bouwen van dekschuiten, maar voor in de eigen omgeving werden vooral nog pramen, melkbootjes en roeiboten gebouwd. De bouw van een dergelijk dekschuit koste ongeveer 3.000 manuren.
Echter werd een roeiboot in 50 uren gebouwd. Maar door de moordende concurrentie kwam deze hoofdactiviteit helemaal stil te liggen. Door de crisis van de dertiger jaren werd er financieel verlies geleden, totdat er weer eens een schipsorder binnenkwam. In 1934 vond er een ernstig ongeval plaats op de scheepstimmerwerf. Met de druk die er op het stond kwam plotseling een stelling naar beneden terwijl drie werklieden bezig waren aan een zolderschuit. Twee mannen die er op stonden sloegen op de grond. In bewusteloze toestand werd Sjoerd Boersma uit Wartena per auto naar huis gebracht. Plaatsgenoot Cornelis de Boer werd door een balk getroffen waardoor zijn heup brak.
In 1937 keerde het tij. De economie herstelde zich. Bijlsma, inmiddels vicevoorzitter (1928-1942) van de ‘Friesche Scheepsbouwersvereeniging’, kreeg een opdracht van P. Stoter uit Zwolle voor de bouw van een motorvrachtschip met een laadvermogen van 370 ton bestemd voor de Rijnvaart. Door zijn lengte van 45 m kon het niet meer langsscheeps worden gebouwd en te water worden gelaten. Er werd een gedeelte van het Wartenaster Wijd gedempt, zodat het schip dwarsscheeps op de bouwplaats kon staan. Het werd de eerste dwarsscheepse tewaterlating op de werf. Deze nieuwe ontwikkeling werd echter overschaduwd door het overlijden van Gerben zijn vrouw Mintje. De klap kwam hard aan. Gerben Bijlsma werd ook ziekelijk en overleed in 1943 op het oude ‘stek’, het huis tegenover het bedrijf.