Vader Johannes, die als houtbouwer niet zoveel op had met de ijzerbouw, droeg de werf op 6 mei 1910 over aan zijn zoon Klaas Johannes. Johannes was toen 64 en Klaas Johannes was 37 jaar oud. De overnameprijs bedroeg fl. 5.000,-, waarvoor Klaas fl. 4.000,- van zijn vader leende tegen een rente van 4% per jaar. Na de overname van de werf werd er met behulp van aannemer Klaas Westra uit Franeker een dwarshelling bij gebouwd. Deze helling werd aangelegd op het westelijke gedeelte van het perceel bouwland en de opvaart, nadat die was gedempt.
De werkbreedte van de helling werd 13,65 m bij Fries Zomerpeil. Deze helling was bedoeld voor binnenschepen van 80 tot 100 ton. Er konden tot een zestal tjalken op de helling gezet worden in twee langsrijen naast elkaar en drie schepen in elke rij. De helling werd uitgerust met negen stel rails en hellingwagens. Hiermee konden schepen met een diepgang tot 1,40 m op het droge worden getrokken. De grootste schepen, die ooit op de werf werden gezet, waren de Kempenaars. Schepen van dit type hadden de afmeting van 55 x 7,50 m. Deze schepen kwamen echter niet vaak in de Franeker contreien. Oorspronkelijk werden de lieren voor het omhoogtrekken van de hellingwagens met de hand bediend. Vrij spoedig werd de aandrijving vervangen door een verbrandingsmotor en uiteindelijk door een elektromotor
Klaas Johannes Draaisma kreeg zes nakomelingen uit twee huwelijken. Uit het eerste huwelijk met Janke Brouwer (*03-09-1873 te Franeker - †21-11-1908 te Franeker) werden twee zonen en een dochter geboren. Ze stierven allen na een paar dagen en ook Janke overleed op jonge leeftijd. Uit het tweede huwelijk met Pietertje Jetzes Bouma (*08-03-1877 te Lollum - †07-08-1959 te Franeker) stamden vier kinderen, waarvan twee zoons, Johannes (*23-03-1914 te Franeker - †05-03-1984 te Franeker) en Jetze (*26-07-1917 te Franeker). Zijn jongste dochter Lolkje (*19-05-1912 te Franeker - †03-05-1995 te Leeuwarden) trouwde op 1 april 1936 met Tjibbele Ates van der Werff (*17-05-1911 te Leeuwarden - †14-08-1996 te Leeuwarden) van de werf ‘Welgelegen’ op Schilkampen in Leeuwarden. Zijn vader, Ate Tjibbeles van der Werff (*1888 - †1969), was werfbaas te Schilkampen in Leeuwarden waar hij in 1909 was begonnen. Tjibbele en Lolkje, wonende aan de Emmakade Z.Z. 120, nemen in 1957 de machinefabriek van Tjibbeles vader over.
Door de omschakeling op de ijzerbouw was het druk op de helling. Vandaar dat er ook veel personeel nodig was. Rond 1910 liep er 28 man personeel op de werf. Samen met hen had Klaas Johannes in de loop der jaren heel veel schepen gebouwd van zeer uiteenlopende types. Zo waren er natuurlijk de skûtsjes. Vele mooi afgewerkte ijzeren exemplaren gleden van de helling bij Draaisma. Klaas Johannes was gedwongen vanwege lage bruggen en pijpen in Franeker de skûtsjes vrij plat en gestrekt te bouwen in tegenstelling tot de skûtsjes van ‘De Piip’ en Buitenstvallaat uit Drachten die snellere vormen met meer zeeg en een grotere ronding tussen kop en kont konden bouwen. Het is bekend dat Klaas Johannes Draaisma ‘dragers’ bouwde.
Deze hadden een enigszins plompe vorm, die toegepast werd om een zo groot mogelijk laadvermogen te verkrijgen. De snelheid werd ondergeschikt aan het grotere laadvermogen. In de SKS heeft alleen Sietse Tjittes Brouwer (*21-06-1920 te Buitenpost - †29-06-1980 te Wartena) met een skûtsje van deze werf in 1953 en 1954 meegevaren. Het skûtsje, de ‘Lotus’ uit 1928 [L 1790 N] met een laadvermogen van 52,020 ton, was niet ingericht als wedstrijdschip. Maar Sietse deed op het laatst mee, omdat het er in die dagen op leek, dat het skûtsjesilen helemaal niet meer zou doorgaan. Het skûtsje was twee dagen voor de wedstrijd nog met 40 ton modder beladen bestemd voor Schuilenburg. Een opsteker en een grootzeil werd verkregen van Lodewijk Meeter, een mast van Wouter Pietersma, een giek van Ulbe Zwaga en een fok van Berend Mink. Zo is Sietse Brouwer gestart en heeft in het eerste jaar zelfs op Grou nog een eerste plaats behaald.
Het skûtsje is nu in eigendom van Peter de Koe en gebruikt voor de recreatie en chartervaart.
In het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek worden veel tekeningen van Draaisma bewaard. Van sommigen kan niet vastgesteld worden of de getekende schepen ook daadwerkelijk zijn gebouwd. Gezien de lengte/breedte verhouding wijst het op skûtsjes en niet op beurtschepen. De tekeningen werden destijds ook wel bij offertes gebruikt. We zien bijvoorbeeld dat van het schip van Wouter de Roos uit Minnertsga ook een tekening aanwezig is die bij de werf van Brandsma was vervaardigt. De Roos gunde de opdracht in 1905 aan Draaisma [L 952 N].
Ook aakschepen, klippers, klipperaken, sleepboten, vletten, pramen, schouwen enz., werden gebouwd. In de wat slappe tijden werden er ook pramen voor eigen rekening, die later werden verkocht of anders werden verhuurd. Dit laatste was een lucratieve bron van inkomsten. Klaas Johannes had verschillende pramen in de verhuur. Niet alleen in aantal maar ook in grootte. Van een 5-tons praam tot een 22-tons praam met nog zeven andere tonnages daar tussen in. In 1916 werd er een 13 pk gasmotor op de werf geplaatst, bestemd om machines in beweging te brengen in een werkplaats van 30x15m. Klaas werd in dit jaar met zijn werf ook lid van de Friesche Scheepbouwers Vereniging. E.e.a. getuigt van een zeer levendige zakelijke activiteit. Ze zaten ruim bij kas, zodat het Klaas Johannes mogelijk werd om heel veel klanten financieel tegemoet te komen, door hun krediet te geven, gepaard met een regeling betreffende rente en aflossing.
Hierdoor kon er aanzienlijk meer werk worden aangetrokken, dan zonder deze financieringsmogelijkheid. Natuurlijk speelde hierbij een fijne speurzin over de betrouwbaarheid van de klanten een belangrijke rol. De dwarshelling werd hierdoor intensief gebruikt. In 1919 waren er 111 schepen op de helling geweest voor onderhoud. Dat waren er dus minstens twee per week. Klaas Johannes overleed al in 1931 aan de gevolgen van een hersenbloeding. Zijn vader Johannes overleed vijf jaar later, intussen al 90 jaar oud geworden.
De vrouw van Klaas Johannes, Pietertje Bouma, voerde de werf na het overlijden van haar man formeel verder. Bij de boedelscheiding in 1932 werd zij de eigenaresse van de onroerende goederen, inclusief de werf. Zij werd bijgestaan door haar oudste zoon Johannes Klazes Draaisma, die dan nog maar 17 jaar oud was en door Yge en Folkert, beide neven van haar overleden man.
Johannes Klazes kreeg direct met de crisisjaren te kampen. Het laatste ijzeren skûtsje voor de vrachtvaart in Friesland liep in 1933 voor Jacob de Jong uit Witmarsum bij de werf Draaisma in Franeker van de helling. De nieuwbouw van schepen kwam bijna helemaal stil te liggen en de werkzaamheden beperkte zich tot onderhoud en reparatie. Desondanks wordt in 1938 Scheepswerf “Welgelegen” aan het Vliet 143 te Franeker uitgebreid met de vervaardiging van plaat- en smeedwerk, ijzerconstructies enz. Daarna volgde de malaise gedurende de oorlogsjaren