Jan Jans Bos was niet alleen met zijn werf, maar ook politiek gezien, nauw betrokken bij de maatschappelijke ontwikkeling in de gemeente Schoterland. Schoterland was in de negentiende eeuw ook de naam van één van de kiesdistricten in Friesland. Bij de verkiezingen in 1888 werd voor het eerst een socialist in de Tweede Kamer gekozen. Na een herstemming in het Friese district Schoterland werd Ferdinand Domela Nieuwenhuis verkozen voor de Sociaaldemocratische Bond. Bij de Gemeenteraadsverkiezingen in juli 1899 werden er in de gemeente Schoterland 598 geldige stemmen uitgebracht, zodat er een herstemming moest plaats vinden tussen aftredende antirevolutionaire raadsleden E. Heida te Mildam en J. Smit te Knijpe, die respectievelijk 267 en 231 stemmen kregen. Voor de buitengewone vacature, ontstaan door het bedanken van de heer H.G. Beekhuis, werd de liberale P. Hofstra te Rottum met 290 stemmen gekozen, terwijl Jan Jans Bos te Delfstrahuizen voor de antirevolutionairen 237 stemmen kreeg.
De Antirevolutionaire Partij (ARP), waar Jan Jans Bos deel van uitmaakte, werd door predikant Abraham Kuyper op 3 april 1879 opgericht. Daarmee kwam er een partijverband voor een politieke stroming die al sinds het begin van de negentiende eeuw bestond. De ARP had in vrijwel het gehele land aanhang. Vooral in o.a. Friesland was zij sterk vertegenwoordigd. De partij richtte zich op arbeiders, boeren, middenstanders, lagere officieren en kleine zelfstandigen uit het protestants-christelijke hoek. De ARP had een sterke binding met de door Kuyper gestichte Gereformeerde Kerken in Nederland. Tot 1917 was het belangrijkste strijdpunt van de ARP de financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs. In 1967 was de ARP samen met de Christelijk-Historische Unie (CHU) en de Katholieke Volkspartij (KVP) in gesprek over het begrip ‘christelijke politiek’. Dit leidde in 1980 tot een fusie en oprichting van het Christen Democratisch Appèl (CDA).
In een ingezonden stuk in het Nieuwe Advertentieblad van 6 september 1899 stelt Bos dat zijn werf de eerste ijzeren werf in Friesland is. Hij ging hierbij even voorbij aan de Barkmeijers in Sneek, maar moet gedacht hebben: “Zonder bluf is het leven suf.” Neemt niet weg dat Bos wel bekend stond als een vooruitstrevende man. Hij zou een eigen systeem voor opvang van hemelwater op binnenschepen hebben ontwikkeld. Dat Jan Jans Bos wel wat in zijn mars had, kunnen we ook afleiden uit een ingezonden stuk in de Hepkema’s Courant. Hieruit is af te leiden dat het een man met visie is geweest.
“M. de Red.
Toen ik in uw vorige woensdagnr. las, dat te Heerenveen een vennootschap was opgericht voor den bouw van ijzeren schepen, dacht ik:”Ik zou liever gelezen hebben, dat te Heerenveen een ijzerfabriek zou worden opgericht, daar tot-nog-toe in Friesland, Groningen noch Holland een ijzerfabriek bestaat. Deze provinciën met hun vele ijzeren werven en smederijen moeten al het benodigde ijzer uit Duitsland, België en Engeland betrekken en nu ook al uit Amerika.
Alleen al in de Belgische stad Gent werken 80.000 werklieden in ijzerfabrieken. Die fabrieken konden we hier evengoed hebben en niet alleen ijzerfabrieken ook linnen-, katoen- en wolfabrieken.
Te St. Johannesga kon best een katoen- of wolfabriek met 300 werklieden worden opgericht als de winkeliers maar de handen inéén wilden slaan. Daarmee zou aan honderdmaal meer mensen werk en brood worden verschaft dan door de oprichting van een ijzeren werf, daar de ijzeren werven spoedig een stilstand zullen gevoelen door de slapte der schipperij, bijzonder bij de grote scheepvaart. Een schipper, die thans te Rotterdam naar vracht rondziet, wordt genoodzaakt voor fl. 1,40 á fl. 1,50 per last goederen naar Friesland te brengen. Voor een vracht turf van Friesland naar Rotterdam bieden sommigen zich aan voor 45 cent per roede. Maar om op ijzerfabrieken terug te komen, men zal wellicht vragen: waar zou in ons land de grondstof vandaan moeten komen? Welnu, die komt toch meest uit Spanje en kan vandaar even goedkoop naar Nederland als naar Duitsland vervoerd worden. Alleen met de benodigde steenkool zouden we bij de genoemde landen iets achter staan, maar als die in grote aken vervoerd wordt, komt de vracht betrekkelijk niet hoog en per spoor maakt het ook niet zo’n groot vrachtverschil, of de reis wat korter of langer is.
Als Duitsland geen fabrieken had, zouden onze beste en krachtigste werklieden niet het land uitgaan. Maar omdat de Duitse arbeiders meer loonend werk in de fabrieken zoeken, daarom zoekt de Duitse boer in ons land zijn melkknechten. Hij kan meer betalen, niet omdat de grond daar beter is dan hier, integendeel, maar omdat de goed betaald wordende fabrieksbevolking zoveel melk en boter en vlees nodig is, dat de Duitse boer de helft meer voor zijn melk en bijna een derde meer voor zijn slachtvee krijgt.
En nu de grenzen maar sluiten voor ons vee en wij maar even goedmoedig het ijzer, linnen en katoen blijven betrekken uit een land dat van ons niets neemt. Moet dat niet ophouden?
Toen ik in 1893 een ijzeren werf oprichtte, kostten de Duitse staalplaten p.m. fl. 7,-, hoekijzer en andere metalen fl. 6,50. Nu zijn, doordat er te weinig ijzerfabrieken zijn en de vraag naar ijzer groot is, de ijzerprijzen zo enorm omhoog gegaan, dat thans de Duitse platen reeds fl. 11,50 kosten. Hoekijzer is ook een derde duurder. Doordat alle landen niet a-systeem oorlogsschepen laten maken, is er zoveel vraag naar ijzer, dat de fabrikanten kunnen vragen wat ze willen, en als men 20 of 10 ton ijzer bestelt, moet men vast 3 á 4 maanden op de levering wachten.
Te Nieuwdiep wordt thans een ijzeren oorlogsschip gesloopt, dat, voor zeven jaar gebouwd, toen 4 ½ miljoen gulden heeft gekost en nu bij publieke veiling is verkocht voor fl. 80.000,-. Ik geef u de verzekering, het had nog wel zestig jaar meegekund. Het was een pracht van een schip; de buitenhuid was 15 dM dik, met spanten van 25 eM en een binnenhuid van 14 dM.
Maar ik had het over de ijzerfabrieken. Ik geef u commissieleden te Heerenveen en uw heeren met Russische en andere effecten in overweging, wilt ge wat goede tot stand brengen, richt dan te Heerenveen een ijzerfabriek op voor scheeps- en smidsmateriaal, en de gemeente Schoterland zal haar armbestuur bijkans kunnen opheffen en haar hoofdelijke omslag met de helft verlagen, want er zal werk en brood in overvloed komen.
Gij, leiders van meetingen en vergaderingen werkt ook mede tot de oprichting van fabrieken in Nederland. De veenboer kan zijn arbeider geen behoorlijk bestaan meer geven, de greidboer ook niet, de fabrieken alleen kunnen hier een uitkomst zijn.
Delstrahuizen, sept. 1899, J.J. Bos Scheepstimmerman”
Door zijn politieke rol en als zelfstandige was Jan Jans Bos betrokken bij het dorp en zag goed in hoe de omgeving zich ontwikkelde. Op 23 november 1899 werd in een vergadering van belanghebbenden in Echten besloten tot oprichting van een coöperatieve stoomzuivelfabriek voor de dorpen Oosterzee, Echten en Delfstrahuizen. De fabriek zou worden geplaatst in Delfstrahuizen aan het ruime vaarwater van de Pier Christiaansloot. Voor het oprichtingsbestuur werden als bestuursleden gekozen de heren J. Nieuwenhout en W.K. Visser uit Oosterzee en Jan Jans Bos uit Delfstrahuizen. De nieuwe Coöp. Stoomzuivelfabriek ‘De Eendracht’ nam in 1900 een zeer belangrijke plaats in de dorpsgemeenschap en daarbuiten in. Bij de oprichtingsvergadering waren er 21 boeren die de ledenlijst tekenden. De werkgelegenheid kreeg een enorme vlucht door de komst van de fabriek.
In de laatste jaren zijn op de werf van Bos te Delfstrahuizen nog tal van schepen van verschillend model en grootte gebouwd voor Noord- en Zuiderzeevaart. In 1909 ging het niet best met de werf, dat kwam mede omdat er soms niet betaald werd. De genadeklap werd veroorzaakt door houthandelaar Ter Horst uit Sneek, zo verteld ons Rein Munniksma uit Woubrugge. Omstreeks 1908 besloot schipper Fonger Haitzes Wiersma uit Oosthem een nieuw en groter skûtsje te laten bouwen. Zijn aanstaande vrouw, Trijntje Nijdam werkte toen als dienstmeisje bij houthandelaar Ter Horst in Sneek. Fonger kwam voor een lening bij Ter Horst voor de bouw van een nieuw skûtsje. Daar had Ter Horst geen bezwaar tegen. Hij wilde Fonger wel helpen, maar stelde als eis dat het schip gebouwd werd bij de scheepswerf Bos te Echtenbrug. De werf had namelijk een grote financiële schuld bij hem. Jan Jans Bos was niet erg blij te horen dat Ter Horst de financier van Fonger was, maar accepteerde de opdracht. Ter Horst sprak met Fonger af, dat zodra het schip klaar en afgeleverd was, hij het door Fonger zelf te investeren bedrag zou ontvangen. Fonger zou dan tegen Bos zeggen: “Ga maar naar Ter Horst, die rekent met u af”. En zo gebeurde het! In 1909 had Fonger opdracht gegeven, voor het bouwen van een ijzeren roefschip. Het schip was gereed in 1910 en het kreeg de naam ‘Lastdrager’ [S 923 N]. Het schip werd nog afgebouwd, nadat Jan in januari was overleden. Zijn gezondheid was door overmatige drankgebruik en de malaise van de werf snel achteruit gegaan.
Kort na zijn dood in 1910 werd de werf geliquideerd. Jan en zijn vrouw werden begraven op het kerkhof aan de zuidkant van de weg naar Echten. Hun drie zoons Jan (*25-12-1875 te Delfstrahuizen - †22-02-1931 te Enkhuizen), Andries (*22-03-1880 te Delfstrahuizen - †08-04-1950 te Alkmaar) en Evert (*08-06-1886 te Delfstrahuizen - †03-06-1946 te Haarlem) hadden in dat jaar op de werf een grote opdracht vanuit België, voor twee schepen. De betaling daarvoor werd, in afwachting van de overdracht, geplaatst op de rekening van hun notaris. Deze is met dit geld met de noorderzon vertrokken naar Indië. Als gevolg van deze aderlating is de werf failliet gegaan, zo is door de zoon van Evert, Piet Bos (*1928), aangegeven.
Bos had in zijn laatste periode nog drie heel mooie woonarken voor zijn drie zonen gebouwd. Zijn weduwe en erven lieten de onroerende goederen op 19 oktober 1910 professioneel en op 2 november daaropvolgend finaal veilen. In het veilingboekje werd de werf met toebehoren beschreven als: ”Eene .... in volle werking zijnde Scheepstimmerwerf, met afzonderlijk staande Smederij, nette Burgerhuizinge, Knechtswoningen en ruim Erf, alles zeer gunstig staande en gelegen aan de Pier Christiaansloot nabij het Tjeukemeer te Echtenerbrug”. Tegelijkertijd met het onroerend goed moesten ook de aanwezige machines en gereedschappen worden overgenomen, in de schuur voor fl. 730,- en in de smederij voor fl. 110,-. Kenmerkend voor de ijzeren helling is dat er geen gereedschap voor de houtbewerking mee werd verkocht, maar alleen het benodigde voor de bewerking van staalijzeren platen en profielen.