Het voordek en de mast
In het voordek zit een gedeeld mastluik en een durksluik en er is vlak voor de mast een dwarsscheepse overloop aangebracht waarover het schootblok van de fok glijdt. Het schip is ingericht voor het voeren van één stagfok en een (groot)zeil dat gehecht is aan een gaffel en met losse broek achter aan de giek is bevestigd. De mast steekt door het voordek en is strijkbaar. De ruimte voor de mast wordt de kisten genoemd en achter de mast is het vrachtruim, vanaf beide zijden (BB en SB) afgedekt met schuin naar het midden oplopende rechte luiken, tegen de gangboorden rustend op rijswaring of den.
De roef en het achterdek
De rijswaring loopt in één lijn over in de roef welke achter het ruim ligt met daarachter het achterdek. Ter weerszijden langs het ruim en de roef bevinden zich de gangboorden, één geheel vormend met voor- en achterdek. Aan beide zijkanten is een breed (ovaal) houten zwaard opgehangen.
Het roer
Aan de achtersteven hangt een ongeveer 5 tot 8 cm dik roer dat boven de waterlijn half zo lang is als onder de waterlijn. Deze laatste lengte is ongeveer gelijk aan de halve breedte van het schip. Het roer wordt via een over de roerkop vallend, gelijk met de bovenkant van de achtersteven, licht gebogen helmhout bediend.