Minne Molles van der Werf
Minne Molles van der Werf (*05-12-1851 te Kooten - †14-03-1926 te Sneek) was afkomstig uit een hervormd geslacht. Hij was werkzaam op de werf die zijn pake Minne Haykes (*1794 - †1853) op de Kooten was gestart en was daarnaast kastelein in Kootstertille en sluis- en brugwachter. Minne Molles had daarnaast scheepsbouwervaring in Bergum opgedaan. Op de werf aan de Bergumerdam was Minne Molles van 1884-1902 scheepstimmerman geweest. Deze helling had hij verkocht aan zijn neef Pieter Ates van der Werff (*1845 - †1922). Na de verkoop van deze houtwerf keerde Minne Molles weer terug naar Kootstertille. Minne Molles en zijn oudere zoons werden werkzaam op de ijzerwerf van Minne Molles zijn jongere broer Joon Molles (*1856 - †1934). Daar zullen ze zich zeker degelijk in de ijzerbouw bekwaamd hebben, want anders zouden ze het aankomende avontuur in Sneek niet zijn aangegaan.
In het Nieuwsblad van het Noorden stond op 11 november 1905 een advertentie, waarin de gebroeders Barkmeijer uit Sneek hun werf te koop aanboden. E.e.a. werd omschreven als: “Scheepstimmerwerf voor ijzeren schepen met bijbehorende huizen, schuur, werkplaats en erf gelegen aan de Woudvaart te Sneek, .... In de koop zijn inbegrepen alle goederen, die geacht kunnen worden tot de scheepstimmerwerf te behoren, als: vier ponsmachines, twee knipscharen, een buigmachine, twee ijzeren vlakplaten, een houten vlakplaat, twee langshellingen met sleepen enz.” De koopprijs bedroeg fl. 14.000,-. Minne Molles wou weer zelfstandig verder en vestigde zich per 12 mei 1906 op 55 jarige leeftijd als scheepstimmerman op de voormalige Barkmeijer werf te Sneek.
Het eerste schip dat Van der Werf afleverde in Sneek, was ‘De Volharding’ voor Jan Stok uit Sneek. Dit schip werd op 16 juni 1906 gemeten [S 742 N], twee weken nadat hij als hellingbaas was begonnen. Het zal toen al halfklaar op de helling hebben gestaan. De vier oudste zonen van Minne Molles hielpen hun vader hierbij op de werf aan de Woudvaart.
De eerste vier jaar bouwde hij gemiddeld acht skûtsjes per jaar. Met deze bijna gelijke productie als in de laatste jaren van Barkmeijer kunnen we aannemen dat de moderne industriële organisatie van het bedrijf was overgenomen. Wellicht dat het gehele personeel was overgenomen om de strakke organisatie en perfecte logistiek voort te kunnen zetten. Daarnaast bouwde hij tjalken van 80 tot 120 ton, motorvrachtschepen, pramen en enkele jachten. Een skûtsjecasco was meestal in een week of vijf klaar. Zoals bij meer werven in Friesland was 1909 een topjaar, toen er ook hier tien skûtsjes van de helling gleden. Daarna liep de skûtsjebouw fors terug. Het afzetgebied van de Sneker werf strekte zich uit over heel Friesland, met een concentratie op een ruime cirkel rond Sneek. Uitschieters waren leveringen naar St. Anna Parochie, Ternaard, Meppel en Oosterwolde. Tussen 1906 en 1925 zijn op de werf in ieder geval 61 roefschepen gebouwd. In 1925 werd het laatste skûtsje gebouwd. Dat was voor J. & S. Heerema uit St. Anna Parochie.
Het schip [L 1649 N] ‘Jonge Jan’ geheten, was 17,61 m lang en mat 41,407 ton. Het kleinste skûtsje dat gebouwd werd was 13,04 m lang en 3,30 m breed [S 770 N], 1907. Opdrachtgever was Erven B.J. Feenstra uit Sneek. In 1917 werd het grootste skûtsje de ‘Nieuwe Zorg’ [S 1152 N] gebouwd voor Floris de Vries uit Oudega (W) met een lengte van 20,54 m en breed 3,83 m, het mat 55,170 ton. De gemiddelde tonnage van al de gebouwde skûtsjes bedroeg 36,4 ton. Na 1910 werden de schepen langer dan 16 meter gebouwd, op een enkel beurtschip na.
Het meest aansprekende skûtsje is de in 1911 in opdracht van schipper-brandstofhandelaar Petrus van Vellinga uit Sneek gebouwde ‘De Drie Gebroeders’ [S 993 N]. Zoals blijkt uit het bestek dat bewaard is gebleven zou het schip 17,83 m lang worden en 3,53 m breed. Volgens de meting, die op 8 mei 1911 te Sneek plaatsvond, waren de werkelijke afmetingen 17,89 en 3,58 m. De bouwers hadden zich dus redelijk aan het bestek gehouden. Het schip werd gemeten op 38,737 ton. Op 4 oktober 1919 verkocht Van Vellinga het schip aan Willem Bouwhuis uit Poppingawier en kreeg het de naam ‘De Onderneming’. Bij de hermeting mat het schip nu 42,109 ton, bijna 3½ ton meer. Mogelijk was de indeling veranderd of de den iets verhoogt.
Het werd het eerste skûtsje dat de Stichting Heerenveenster skûtsje in 1956 aankocht. In 1957 werd het omgedoopt in ‘Gerben van Manen’. Vanwege zijn witte kleur werd het skûtsje ook wel min of meer spottend ‘Willem Barentsz’ genoemd. Heerenveen zou hier tot 1961 mee zeilen in SKS totdat zij de huidige ‘Gerben van Manen’ [L 1418 N], een Piipster uit 1915, aankochten.
De activiteiten van de werf werden door Minne Molles uitgebreid met de bouw van houten vaartuigen. Het oudst bekende houten schip daar gebouwd dateert uit 1913. Het was een eikenhouten tjotter van 4,73x2,49 m, gebouwd met karveelbeplanking. Deze tjotter, ‘Jonge Minne’, werd gebouwd door scheepstimmerman Tjibbe Hiemstra, die het vak op de werf Van der Zee te Joure had geleerd. Het schip kreeg dan ook duidelijke ‘Jouwster’ lijnen. In 1934 is door de toenmalige eigenaar Dirk Verweij de tjotter onder de naam ‘Sperwer’ verkocht aan het Marines Museum te Newport USA en maakt nu onderdeel uit van een collectie van ruim 100 verschillende typen originele schepen, die daar tentoon worden gesteld