Zoon Bouke Roorda, die van 21 februari 1878 tot 19 november 1958 leefde, genoot eveneens zijn opleiding bij Van der Werff. In 1887 nam Berend Tjeerds zijn zoon al mee naar de werf, waar hijzelf toen nog werkte, van Pieter Haikes van der Werff (*1845-†1900) aan de Noorderdwarsvaart om als pikjonge wat te verdienen en wat te leren. Bouke, genoemd naar zijn pake, was toen nog maar 9 jaar. In 1896 ging Bouke met zijn vader mee naar diens nieuwe houtbouwwerf. Daar was medio 1897 nog te weinig werk en doordat hij bij Pieter Haikes van der Werff niet meer dan 12,5 cent per uur kon verdienen, ging hij als jonge knecht van negentien naar de beroemde houtbouwwerf van de Jouster ‘Eeltsjebaes’ Eeltje Holtrop van der Zee (*1823 - †1901), een vermaarde houtbouwmeester, en diens zoon Auke (*1854 - †1939). De oude baas had op 74-jarige leeftijd een stapje teruggedaan.
Hier ontdekte Bouke het geheim van snelheid in een vlot lossende kont, want de boten van Eeltsjebaes waren de mooiste en snelste van de negentiende eeuw. Bouke zijn eerste werkstuk was een werkstuk dat het absolute einde betekende voor de persoon voor wie het bestemd was. Hij moest een lijkkist maken, die hij de volgende ochtend moest afleveren. Bouke werkte de hele nacht door en had het karwei ’s morgens om vijf uur geklaard. Voor de verdiensten hoefde Bouke ook hier niet te zijn. Voor Bouke zijn werkzaamheden werd in 1898 fl. 0,15 doorberekend, het uurloon dat Aukebaes zijn klanten voor al zijn volwassen knechten in rekening placht te bren-gen. Het lijkt er dan ook op dat Bouke hier gedurende enige tijd zijn blik wilde verruimen op de werf van de Van der Zee’s, die toen op het toppunt van hun roem verkeerden. Nadat vader Berend een helling bouwde aan het Moleneind keerde Bouke terug naar Drachten.
Toen de ijzeren scheepsbouw een belangrijke vlucht nam, besloot Bouke na 1902, na korte tijd bij zijn vader gewerkt te hebben, maar voor een jaar naar de vroegere ‘IJzeren Scheepsbouwwerf’ van Wolter Mulder (*1868 - †1960), zoon van de bekende scheepsbouwer Jacob Jans Mulder (*1827 - †1900), later Barkmeijer, in Vierverlaten (gemeente Hoogkerk) te gaan om het ‘ijzeren vak’ onder de knie te krijgen. Op deze ijzerwerf, waar verscheidene Friese aspirant ijzerbouwers werden geschoold, vooral in het winterseizoen, werkten meerdere familieleden van de Roorda’s. Hierin het Groningerland terechtgekomen door Tjeerd Pieters broer Jeen Pieters Roorda (*06-10-1798 te Zuider-Drachten - †24-08-1875 te Drachten). Geleerd werd hier het bewerken van ijzeren platen om er de juiste vorm aan te geven, het maken van de spanten, de volgorde van opbouw, het maken van klinkerverbindingen, enz. De scholing duurde over het algemeen een half jaar, waarna de ‘studenten’ weer naar de thuiswerf terugkeerden. Bouke bleef er drie jaar. Hij werkte daar overdag mee op het bedrijf en ’s avonds volgde hij theorielessen. Daarbij werden hem de vereiste wiskundige beginselen bijgebracht, leerde hij tekenen en rekenen, en deed hij de nodige bedrijfseconomische kennis op. Bij zijn terugkeer schakelden de Roorda’s in Drachten over van hout op de bouw van bijzondere stalen skûtsjes, maar eerst werden nog twee in aanbouwzijnde houten skûtsjes afgebouwd.
Na deze opdrachten werd vrijwel geheel overgeschakeld op de bouw van staalijzeren schepen. De turfvaart was weliswaar niet meer wat het geweest was, maar het vervoer van mest en terpaarde nam hevig toe. Bouke ontwikkelde met heit en zijn broers Tjeerd (*18-03-1881 te Drachten - †25-12-1966 te Drachten) en Wouter (*21-08-1886 te Drachten - †13-04-1943 te Heerenveen) een skûtsjetype dat zijn weerga niet zou kennen. De jonge Drachtster nam het initiatief rond 1905 in het tekenwerk van moderner gelijnde roefschepen. Bouke had tegen zijn broers gezegd: ”De kont moat mear bihelle wurde en wy moatte der in piik yn slaen”. Zijn basisidee was een schip te maken dat snel vaarde en veel kon laden in tegenstelling tot het Groninger scheepstype dat wel veel vracht kon laden maar minder snel voer. Bouke kon niet hebben bevroed dat hij in zijn kantoortje met dit idee begon aan de creatie van een vrachtscheepje dat nu nog door kenners onmiddellijk wordt herkend als het beroemde Piipster skûtsje.
De prachtige belijning van de Piipster skûtsjes bevestigde allereerst de langdurige en grondige opleiding en ervaring die de vader en zoon Roorda bij Van der Werff aan de Langewyk opdeden. Daarenboven roepen vooral de schitterende gevormde kop en de mooie geveegde en gepiekte kont van de Piipsters enigszins de herinnering op aan de legendarische vracht- en visserschepen van de hand van Eeltje Holtrop van der Zee. Hij combineerde de slanke skûtsjes van Van der Werff met de sierlijke vorm die hij had geleerd bij Van de Zee met de bolle bovenbouw van Mulder tot een skûtsjetype, die later in de SKS-wedstrijden vele prijzen zou winnen. Ten opzichte van de voorheen gangbare vorm werd het begin van de rondingen van het achterschip verder naar voren verlegd en werd het achterschip minder ‘vol’. De kont werd mooi geveegd en liep in een ideale lijn uit het water weg. Met een dergelijke vorm liet het lege schip in ieder geval het water gemakkelijk los. In de kop benutte Roorda de eigenschappen van het nieuwe materiaal optimaal door de boegen extra rond te kloppen.
Zo ontstonden boven de waterlijn wangen die bij belading draagvermogen aan het schip verschaften, maar het leeg niet remden. Optimaal vaart een zo ontworpen schip in een hoek van ongeveer twintig graden op het water. Het ideaal van iedere scheepsbouwer om schepen te bouwen die een optimale verhouding hebben tussen laadvermogen en snelheid wist Bouke hierdoor in zijn ijzeren skûtsjes te bereiken.
Bouke moet een uitzonderlijk talent hebben gehad. Hij was de ‘Mozart onder de skûtsjebouwers’. De skûtsjes zelf worden wel de Formule 1 van de skûtsjevloot genoemd. Ontegenzeggelijk is het feit dat Bouke en zijn vader Berend Tjeerds beide begiftigd waren met een hoge begaafdheid voor het scheepsbouwvak en dat is aan hun schepen alleszins te zien. Uit de hellingboeken blijkt dat op de Piipsterwerf tussen 1906 en 1925 door Bouke met zijn broers 42 ijzeren schepen zijn gebouwd.
In deze periode werden er op de werf van de gebroeders Roorda een zesentwintig stalen turf-, modder-, dong- en jarreskûtsjes gebouwd. Vele ervan gingen terpaarde en mest varen naar de Friese Zuidoosthoek. De opdrachtgevers van de Piipster werf waren over heel Fryslân verspreid. De nieuwe werf aan het Moleneind bouwde al vroeg schepen voor opdrachtgevers uit alle windstreken, vanaf 1908 ook klipper- en hevelaken, boltjalken en aakschepen, sleepboten, vletten, pramen en schouwen.