De werf was uitgerust met drie sleephellingen en twee houten schuren gebouwd op gemetselde klippen van gemiddeld 70 cm hoog. De hoogte van de schuren van de grond tot de naald van de daken bedroeg zeven meter en de lengte 13 meter.
In de begin jaren werden er alleen nog houten schepen gebouwd zoals botters, zeiljachten, kajuitjachten en BM-ers. Johannes de Roos vond het in 1903 tijd om ook over te stappen op de ijzerbouw. Dit werd mede ingegeven door de komst van Jan van der Meijden in de familie en op de werf. Op 6 mei 1903 vroeg Johannes een hindervergunning aan voor uitbreiding van de scheepstimmerwerf voor het bouwen van ijzeren schepen. De noordelijke schuur moest hiervoor ingericht worden volgends de bijlage bij de vergunningaanvraag.
Hiervoor diende een boormachine, ponsmachine, knipmachine, buigmachine en een beweeg- of verplaatsbare veldsmidse voor het gloeien van de klinknagels geplaatst te worden. Er werd echter stevig bezwaar tegen gemaakt door de omwonenden, al waren er ook die voorstander waren. Er werden mondelinge en drie schriftelijke bezwaren ingediend waaronder één van molenaar J.T. van de Wint. Hij bracht naar voren dat zijn vrouw nogal zwak was en reeds nu al hinder ondervond van de houtbouw en dat de geluidshinder door de ijzerbouw nog groter zou worden. Het college van B&W van Leeuwarden was gevoelig voor het bezwaar en weigerde op 30 mei 1903 de vergunning te verlenen aan de scheepswerf.
Johannes ging echter in beroep. Hij was er vast van overtuigd dat de vergunning verleend zou worden gezien de Hinderwet van 1875. Een paar jaar eerder was nog een gelijke vergunning aan collega Oebele Pieters van der Werff op Schilkampen verleend. Johannes verzocht het college een nauwlettend onderzoek te houden op zijn werf op ongeveer een kwartier gaand van de eigenlijke stad. Het bewerken van metalen platen leverde volgens hem wel geluid op, maar dit zou beperkt blijven tot eenderde van de gehele werktijd. De woningen aan de werf gelegen waren gebouwd ten dienste van personeel dat op de werf werkzaam was.
Deze mensen hadden nooit hinder ondervonden door het bewerken van hout. De bezwaren waren afkomstig van bewoners die op afstand van de werf woonden. Johannes stelde dat de gemeente ook voorwaarden had kunnen overwegen, als dat de machines die geluid veroorzaakten als het buigen, kloppen en klinken van de metalen platen niet in de bedoelde noordelijke schuur opgesteld zouden moeten worden. Hij speelde ook nog in op het gevoel van de heren van de gemeente. Zij zouden met de weigering van de vergunning de genadeslag toebrengen aan een industrie die eertijds bloeide in Leeuwarden en bij de tegenwoordige toestand van de scheepvaart het weigeren van de vergunning gelijk zou staan met de vernietiging van zijn bedrijf.
Het zou duren tot 28 november 1903 alvorens er een Koninklijk Besluit genomen werd door de Raad van State, Afdeling voor de Geschillen van Bestuur, ondertekend door De Minister van Waterstaat Handel en Nijverheid, Mr. Johannes Christiaan de Marez Oyens in het kabinet Kuyper. Hij concludeerden dat indien aan gestelde voorwaarden voldaan werd de vergunning alsnog voorwaardelijk behoorde te worden verleend.
De voorwaarden klonken als volgt:
1e:
Dat het bouwen en herstellen van ijzeren schepen alleen geschiede op de werf te zuiden van de loodsen en in de zuidelijke loods;
2e:
Dat in de noordelijke loods niet anders geplaatst en met handkracht in werking gesteld worden, dan knip-, boor-, en ponsmachine of ander geen belangrijke gedruis veroorzakende werktuigen;
3e:
Dat de veldsmidse, alsmede buigmachines alleen buiten of in de zuidelijke loods geplaatst en gebruikt werden;
4e:
Dat de zuidelijke en noordelijke loodsen vanaf de grond, tot sluitend onder de muurplat door een muur, dik tenminste één steen oftewel 20 cm werden gescheiden;
5e:
Dat in deze scheidingsmuur alleen vaste lichtramen, de onderkant niet lager dan 2,50 m boven de vloer van de loods, en slechts één deuropening, breed ten hoogste 1,50 m aan het west zijde in die muur worden aangebracht.
Hier kon Johannes alleszins mee instemmen. De aanpassingen van de loods werden meteen doorgevoerd en de machines werden aangeschaft. Op 25 januari 1904 schrijft Johannes aan B&W dat hij de gestelde voorwaarden had uitgevoerd en naar zijn bescheiden mening aan de gestelde bepalingen had voldaan en daardoor voornemens was om met de ijzerbouw een aanvang te maken.
Op 30 januari 1904 melde de inspecteur van Woningtoezicht aan de heren B&W van de gemeente Leeuwarden dat Johannes de Roos inderdaad aan de voorwaarden, genoemd in het Koninklijk Besluit, had voldaan en er dus geen bezwaar tegen bestond dat met de bouw en het herstel van ijzeren schepen op de werf werd aangevangen. In opdracht ean T. van der Ley uit Marrum werd meteen gestart met het eerste skûtsje ‘De Goede Verwachting’ [L 774 N]. Het was een groot schip met een lengte van 16,83 m en een breedte van 3,54 m. Het laadvermogen bedroeg 35,220 ton.
Nadat Jan op de werf was toegetreden was er een duidelijke rolverdeling tussen de zwagers. Johannes hield zich voornamelijk bezig met de planning, calculatie en de organisatie op de werf. Jan was de technicus, die thuis de tekeningen uit het hoofd maakte, zittend op zijn knieën op de huiskamervloer. Op de werf begeleide Jan de arbeiders. Zelf deed hij volop mee in het arbeidsproces van het staal- en van het houtwerk.
Uit een notariële akte, van 12 februari 1906, blijkt dat de inventaris van de werf bestond uit drie hellingen met slepen, twee vaste bokken met drie schijven, één hijsblok met drie schijven, vier sleephaken, zes kettingen, vijf domme krachten, draaispil met drie spaken, staaldraad met rol en onderstel, stopblokken met kantslepen, een takel, tien schragen en een stoptros. Dit en de scheepswerf met woning en erf stelde de zwagers als onderpand voor een geldlening van fl. 5.500,- bij Sjoukje van Mesdag te Leeuwarden. De geldlening zal afgesloten zijn om de zwagers de mogelijkheid te bieden het materiaal dat nodig was bij het bouwen van schepen aan te schaffen. Al eerder had Johannes de Roos bij de familie Van Mesdag aangeklopt om geld ten leen op te nemen. In 1901 fl. 3.000,- bij Jacob van Mesdag, agent van de Nederlandsche Bank, en in 1902 fl. 2.900,- bij Rinskje van Mesdag, weduwe van Eilard Attema die eveneens agent van de Nederlandsche Bank was. De te betalen intrest was 4,5% per jaar, waarbij de scheepstimmerwerf met woning, schuur en erf als onderpand dienden.
Deze vorm van bedrijfsvoering zie je in de daarop volgende jaren terugkomen. Telkens wanneer er orders binnen waren voor het bouwen van grotere schepen werd er een lening afgesloten. Naast deze en nog diverse leningen bij Sjoukje van Mesdag, waren er leningen van fl. 2.300,- op 4 november 1911 bij Jan de Boer te Leeuwarden en van fl. 3.000,- op 2 juni 1915 bij de Leeuwarder Bankvereniging.
Naast nieuwbouw vond er ook veel reparatiewerk plaats. Het was een goede vorm van klantenbinding en er werd bovendien goed aan verdiend. In het seizoen maakten de mannen lange werkdagen: van ‘s morgens half 6 tot ‘s avonds half 9 waren zij druk in de weer. Alleen voor het middagmaal werd een wat langere pauze gehouden. Als er een schip op de helling moest, werden de sleden en de hellinggoten eerst goed vet gemaakt. Het hellingen van de vaak zeer zware schepen gebeurde met mankracht.
De mannen die het schip omhoog moesten draaien waren meestal in een oogwenk te vinden. Het waren meestal rondhangende arbeiders of andere lieden die ‘op een karweitje liepen’. Als de slede onder het schip was vastgemaakt, dan kwam de takel erop, een sterke tros die door de drie schijfsblokken liep. Het losse eind van het touw werd om de kop van de draaispil gelegd. Één man moest het touw dan stijf vasthouden, terwijl de anderen aan de drie spaken van de draaispil draaiden. Na een half uur stond het schip droog; het meest tijdrovende en secure werk waarbij de slee onder het schip gebracht werd hadden de ervaren mannen van de werf al van te voren geklaard. De mannen die meehielpen bij het opdraaien deden dat doorgaans voor een sûpke (borreltje). Jan van der Meijden vertelde later aan zijn kleinzoon Hendrik regelmatig hoe de schepen te water gelaten werden. Het was daarbij belangrijk dat de klossen gelijktijdig onder het schip vandaan werden geslagen, anders zou het schip scheef van de dwarshelling afgaan en dus verkeerd in het water terecht komen.
De werf ‘De Hoop’ lag in een echte Leeuwarder volksbuurt. Wonen dicht bij het werk was belangrijk, omdat vrijwel iedereen in die tijd naar zijn werk moest lopen. De arbeiders die op de werf werkten woonden in de nabijheid van de helling. Namen als D.B. Boonstra, David Douwes Dijkstra en J. de Jong zijn arbeiders die nabij de scheepswerf woonden. Door de overgang op het staalijzer werd er, zoals al eerder vermeld, in 1903 een Hindervergunning door de zwagers aangevraagd. Er werden andere machines en werktuigen gebruikt voor het knippen, buigen, ponsen en het klinken. Voornamelijk het pons- en klinkwerk van de stalen schepen leverde nogal wat geluidsoverlast op bij de nabije bebouwing. Met grote hamers werden de platen in hun vorm geslagen en werd er door twee man op de roodgloeiende klinknagels geslagen welke door een klinkjongen op hun plaats werden gehouden. Hierbij is Jan van der Meijden door een opspattende klinknagel aan zijn linkeroog blind geworden.
Op 1 september 1904 werd voor hun arbeiders een ongevallenverzekering door de zwagers afgesloten bij de ‘Nationale Werkgevers Verzekeringsbank tegen Ongevallen’ te Utrecht. De Nationale Werkgevers Verzekeringsbank (1901-1932) werd door een aantal fabrikanten opgericht in 1901. Aanleiding was de inwerkingtreding van de industriële Ongevallenwet. De bank had ten doel: “Het sluiten van verzekeringen tegen de geldelijke gevolgen van ongevallen in het bedrijf overkomen” (uit: statuten, 1901). Het kapitaal van de bank, dat in Utrecht was gevestigd, bedroeg fl. 500.000,-, verdeeld in aandelen van fl. 1.000,-. De vennootschap werd bestuurd door een directie, onder toezicht van een college van commissarissen die uit hun midden een Raad van Toezicht koos, die het dagelijkse toezicht op het bestuur onder haar hoede had. De bank was gelieerd aan verzekeringsmaatschappij Utrecht. Eén van de oprichters was Willem Hendrik Verloop, industrieel commissaris van ‘De Utrecht’. In 1904 was Anthonius van Duijn directeur. Mogelijk is de portefeuille overgedragen aan een andere verzekeraar, wellicht Centraal Beheer.
Het afzetgebied van de beide zwagers lag niet alleen in Friesland, maar ook in Zuid-Holland. Ze bouwden en repareerden allerlei soorten schepen, zoals salonboten, kruisers, sloepen, pramen, schouwen, opdrukkers en ‘Westlanders’ voor Hollandse en ‘Skûtsjes’ voor Friese schippers. Als we de herkomst bekijken van de schippers die een skûtsje lieten bouwen op deze werf dan blijkt dat de afzetmarkt in Friesland voornamelijk in de Noordwesthoek lag. Ook het inbouwen van motoren en fundaties voor motoren werden gedaan voor Kromhout Goedkoop uit Amsterdam en A. Fontijne Machine & Motorfabriek uit Schiedam eind jaren twintig. In het gemeente archief van het Historisch Centrum Leeuwarden (HCL) berusten nog een aantal tekeningen van in het eerste kwart van de vorige eeuw gebouwde schepen. Onder de tekeningen bevinden zich helaas geen van skûtsjes. Wel van de inbouw van een motor voor Terwisga uit Heerenveen in opdracht van N.V. Motorfabriek Deutz Rotterdam (nr. 4065), d.d. 09-01-1929. In 1933 werd er voor Gemeentewerken een brugschouw gemaakt.